HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 101.

David stelt hier zichzelven en zijn hofgezin een ieder tot een voorbeeld, betuigende dat hij de vromen zou vereren en verheffen, maar de bozen straffen en van zich drijven.

Wandelen in oprechtheid
1

EEN psalm van David.
Ik zal van 1goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE.

2

Ik zal verstandiglijk handelen in den oprechten weg; 2wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal 3in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harten.

3

Ik zal geen 4Belialsstuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen 5der afvalligen, 6het zal mij niet aankleven.

4

7Het verkeerde hart zal van mij wijken; 8den boze zal ik 9niet kennen.

5

Die zijn naaste in het heimelijk 10achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is en 11trots van hart, dien zal ik niet vermogen.

6

Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, dat zij 12bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, 13die zal mij dienen.

7

Wie bedrog pleegt, zal 14binnen mijn huis niet blijven; die leugens spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.

8

15Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.