DE ZENDBRIEF VAN DEN 1APOSTEL PAULUSAAN DE2HEBREEËN

HOOFDSTUK 7.

1 De apostel verhaalt eerst de historie van Melchizedek. 2 Met nog enige andere eigenschappen waarin hij den Zone Gods gelijk was. 4 Verheft hem boven Abraham, omdat Abraham, en dienvolgens ook Levi, hem tiende heeft gegeven, en dat hij Abraham heeft gezegend. 11 Bewijst dat de volkomenheid niet was in het priesterdom van Levi, dewijl naar de voorzegging van David een ander Priester naar de ordening van Melchizedek moest opstaan. 14 Namelijk onze Heere, Die niet is uit den stam van Levi, maar uit den stam van Juda. 16 Wiens wet niet zwak noch veranderlijk zou zijn, maar onveranderlijk en volmaakt. 20 Wiens Priesterdom daarom ook met ede is bevestigd. 23 En altijd duurt, omdat Hij altijd leeft. 25 En daarom ook de Zijnen volkomenlijk kan zalig maken. 26 Uit welk alles hij besluit de heerlijkheid en waardigheid van onzen Hogepriester. 27 En de volmaaktheid Zijner offerande eenmaal geschied.

Melchizédek hoger dan Levi
1

WANT a1deze Melchizédek was koning 2van Salem, een priester 3des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoetging als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en 4hem zegende;

2

Aan welken ook Abraham van alles 5de tiende deelde; 6die vooreerst overgezet wordt: 7koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is 8een koning des vredes;

3

9Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dagen, noch einde des levens hebbende; maar 10den Zone Gods gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.

4

11Aanmerkt nu hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tiende gegeven heeft uit den buit.

5

En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, b12hebben wel bevel 13om tienden te nemen van het volk naar de wet, dat is 14van hun broederen, hoewel die uit de lendenen van Abraham voortgekomen zijn.

6

Maar hij die zijn geslachtsrekening 15uit hen niet heeft, die heeft c16van Abraham tienden genomen, en 17hem die de beloftenissen had, heeft 18hij gezegend.

7

Nu, zonder 19enig tegenspreken, hetgeen minder is wordt gezegend 20van hetgeen meerder is.

8

En hier nemen wel tienden 21de mensen die sterven, maar aldaar neemt ze die 22van welken getuigd wordt dat hij leeft.

9

En, 23om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft 24door Abraham tienden gegeven;

10

Want 25hij was nog in de lendenen des vaders, als hem Melchizédek tegemoetging.

Christus Priester in der eeuwigheid
11

dIndien dan nu 26de volkomenheid door het Levitische priesterschap ware (want 27onder hetzelve heeft het volk 28de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat 29een ander Priester, naar de ordening van Melchizédek, zou opstaan, en Die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?

12

Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk 30verandering der wet.

13

Want Hij, op Wien deze dingen 31gezegd worden, 32behoort tot een anderen stam, van welken 33niemand zich tot het altaar begeven heeft.

14

Want het is openbaar edat onze Heere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft 34van het priesterschap.

15

En dit is nog veel meer openbaar, zo er 35naar de gelijkenis van Melchizédek een ander Priester opstaat,

16

Die dit niet 36naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar 37naar de kracht des 38onvergankelijken levens.

17

Want Hij getuigt: fGij zijt Priester 39in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.

18

Want 40de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en 41onprofijtelijkheids wil;

19

gWant 42de wet heeft geen ding volmaakt, hmaar 43de aanleiding van een betere hoop, door welke 44wij tot God genaken.

20

En voor zoveel het niet zonder eedzwering 45is geschied (want 46genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden,

21

Maar 47Deze met eedzwering door Dien Die tot Hem gezegd heeft: iDe Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek),

22

48Van een zoveel beter verbond is Jezus 49Borg geworden.

23

En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;

24

Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een 50onvergankelijk Priesterschap;

25

Waarom Hij ook 51volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem 52tot God gaan, alzo Hij 53altijd leeft kom 54voor hen te bidden.

26

Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en 55hoger dan de hemelen geworden;

27

Dien het niet 56allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, leerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna voor de zonden des volks; want 57dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.

28

Want 58de wet stelt tot hogepriesters mensen die zwakheid hebben; maar 59het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid 60geheiligd is.