DE PROFEETHAGGAÏ

HOOFDSTUK 1.

De profeet bestraft de oversten en het volk te Jeruzalem, omdat zij in schone huizen woonden, maar des Heeren tempel ongebouwd lieten liggen, vs. 1, enz. Zegt dat God de Heere vanwege deze sloffigheid hun handel in andere zaken niet zegende, 5. Daarom vermaant hij hen den nagelaten bouw des tempels te hervatten en te volvoeren, 7. Welke vermaning in acht genomen wordt, 12.

Nalatigheid in den tempelbouw
1

IN 1 het tweede jaar van den koning 2Daríus, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN 3door den dienst van Haggaï, den profeet, tot Zerubbábel, den 4zoon van Sealthiël, 5den vorst van Juda, en tot Jozua, den zoon van Józadak, 6den hogepriester, zeggende:

2

Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: 7Dit volk zegt: 8De tijd is niet gekomen, de 9tijd dat des HEEREN huis gebouwd worde.

3

En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggaï, zeggende:

4

Is het voor ulieden wel de tijd dat gij woont in uw 10gewelfde huizen, en zal dit huis 11woest zijn?

5

Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: 12Stelt uw hart op uw wegen.

6

aGij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar 13niet tot dronken wordens toe; gij kleedt u, maar niet 14tot uw verwarming; en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon 15in een doorboorden buidel.

7

Alzo zegt de HEERE der heirscharen: 16Stelt uw hart op uw wegen.

8

Klimt op het gebergte en brengt hout aan en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen 17daaraan hebben en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.

9

Gij 18ziet om naar veel, maar zie, 19gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, 20zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen. Om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk 21voor zijn eigen huis.

10

Daarom bonthouden zich de hemelen over u, 22dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.

11

Want Ik heb 23een droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren en over den most en over de olie, en over hetgeen dat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen en over de beesten, en 24over allen arbeid der handen.

12

25Toen hoorde Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Józadak, de hogepriester, en 26al het overblijfsel des volks, naar de stem des HEEREN huns Gods, 27en naar de woorden van den profeet Haggaï, 28gelijk als hem de HEERE hun God gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.

13

Toen sprak Haggaï, 29de bode des HEEREN, 30in de boodschap des HEEREN tot het volk, zeggende: 31Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.

14

En 32de HEERE verwekte den geest van Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en den geest van Jozua, den zoon van Józadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God;