HET EERSTE BOEK DERKONINGEN

HOOFDSTUK 13.

Een profeet van Juda profeteert tegen het altaar te Bethel, vs. 1, enz. De profetie wordt door wonderen bevestigd, 3. De profeet genood zijnde van Jerobeam om met hem te eten, is weigerig en vertrekt, 7. Een oud profeet verleidt hem dat hij wederkeert, 11. Hij wordt daarover van God door den ouden profeet bestraft, 20. En vermoord van een leeuw, 23. De oude profeet dat vernemende, begraaft hem, 25. En bevestigt zijn profetie, 31. Jerobeams hardnekkigheid, 33.

De man Gods uit Juda
1

EN zie, 1een man Gods kwam uit Juda, 2door het woord des HEEREN, te Bethel; en Jeróbeam stond bij het altaar 3om te roken.

2

En hij riep tegen het altaar door het woord des HEEREN, en zeide: 4Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: aZie, een zoon zal aan het huis van David 5geboren worden, wiens naam zal zijn Josía; 6die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.

3

En hij 7gaf ten zelven dage een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken waarvan de HEERE gesproken heeft: Zie, het altaar zal 8vaneengescheurd, en de as die daarop is, afgestort worden.

4

Het geschiedde nu als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Bethel geroepen had, dat Jeróbeam zijn 9hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem. Maar zijn hand die hij tegen 10hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.

5

En het altaar werd vaneengescheurd en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken dat de man Gods gegeven had door het woord des HEEREN.

6

Toen 11antwoordde de koning en zeide tot den man Gods: bAanbid toch het aangezicht des HEEREN uws Gods ernstiglijk, en bid voor mij dat mijn hand weder tot mij kome. Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstiglijk; en de hand des konings kwam weder tot hem en werd gelijk tevoren.

7

En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis en 12sterk u, en ik zal u een geschenk geven.

8

Maar de man Gods zeide tot den koning: cAl 13gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in 14deze plaats geen 15brood eten, noch water drinken.

9

Want 16zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: 17Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeren door den weg dien gij gegaan zijt.

10

En hij ging door een anderen weg, en keerde niet weder door den weg door welken hij te Bethel gekomen was.

De man Gods wordt verleid
11

Een 18oud profeet nu woonde te Bethel; en zijn zoon kwam en vertelde hem al het werk dat de man Gods te dien dage in Bethel gedaan had, met de woorden die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden 19zij ook hun vader.

12

En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg 20gezien welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.

13

Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.

14

En hij toog den man Gods na en vond hem zittende onder een 21eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.

15

Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.

16

Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken in 22deze plaats.

17

Want 23een woord is tot mij geschied door het woord des HEEREN: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeren, gaande door den weg door denwelken gij gegaan zijt.

18

En hij zeide tot hem: dIk ben ook een profeet gelijk 24gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem.

19

En 25hij keerde met hem weder, en at brood in zijn huis en dronk water.

20

En het geschiedde als zij aan de tafel zaten, dat het woord des HEEREN 26geschiedde tot den 27profeet die 28hem 29had doen wederkeren;

21

En hij 30riep tot den man Gods die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij den 31mond des HEEREN zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod dat u de HEERE uw God geboden had,

22

Maar zijt wedergekeerd en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; 32zo zal uw dode lichaam in uwer vaderen graf niet komen.

23

En het geschiedde nadat 33hij brood gegeten en nadat hij gedronken had, dat 34hij hem den ezel zadelde, te weten den profeet dien hij had doen wederkeren.

24

Zo toog hij heen, een een leeuw 35vond hem op den weg en doodde hem; en zijn dode lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel 36stond daarbij, ook 37stond de leeuw bij het dode lichaam.

25

En zie, er gingen lieden voorbij en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.

26

Als de profeet die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die 38den mond des HEEREN wederspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem den leeuw overgegeven, die hem gebroken en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN dat Hij tot hem 39gesproken had.

27

Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.

28

Toen toog hij heen, en vond zijn dode lichaam geworpen op den weg, en den ezel en den leeuw staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten en den ezel 40niet gebroken.

29

Toen nam de profeet het dode lichaam van den man Gods op, en legde dat op den ezel en voerde dat wederom; zo kwam de oude profeet in de stad, om 41rouw te bedrijven en hem te begraven.

30

En hij legde zijn dode lichaam 42in zijn graf, en 43zij maakten over hem een weeklage: 44Ach, mijn broeder!

31

Het geschiedde nu nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf waarin de man Gods begraven is, en45legt mijn beenderen bij zijn beenderen.

32

Want de zaak zal 46gewisselijk geschieden, fdie hij door het woord des HEEREN uitgeroepen heeft tegen het altaar dat te Bethel is, en tegen al de huizen 47der hoogten, die in de steden van 48Samaría zijn.

33

Na 49deze geschiedenis keerde zich Jeróbeam niet van zijn bozen weg, gmaar maakte 50wederom priesters der hoogten 51van de geringsten des volks; 52wie wilde, 53diens hand vulde hij, en die werd een van de priesters der hoogten.

34

En 54hij werd in deze zaak 55het huis van Jeróbeam 56tot zonde, om datzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.