HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 63.

David omzwervende in de woestijn, klaagt God zeer bitterlijk, dat hij uit Gods huis en van de uitwendige oefening van den godsdienst (dien hij zeer hoog verheft) gebannen was; troost zich nochtans in Gods gunst en beschutting, en voorzegt den ondergang zijner bloeddorstige vervolgers en zijn toekomende vreugde.

Uitzien naar God
1

EEN psalm van David, als hij was in de awoestijn van 1Juda.

2

O God, Gij zijt mijn God, ik 2zoek U in den 3dageraad; mijn ziel dorst naar 4U, mijn vlees 5verlangt naar U, in een land, 6dor en 7mat, zonder water.

3

(Voorwaar, ik heb U in het 8heiligdom aanschouwd, 9ziende Uw sterkheid en Uw eer.)

4

Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen 10zouden U prijzen.

5

Alzo zou ik U 11loven in mijn 12leven, in Uw Naam zou ik mijn 13handen opheffen.

6

Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid 14verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met 15vrolijk zingende lippen.

7

Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de 16nachtwaken.

8

Want Gij zijt mij een 17Hulp geweest, en in de 18schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.

9

Mijn ziel kleeft U 19achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.

10

Maar dezen, die mijn 20ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in 21de onderste plaatsen der aarde.

11

Men 22zal hen 23storten door het 24geweld des zwaards; zij zullen den 25vossen ten deel worden.

12

Maar de 26koning zal zich in God verblijden; een iegelijk die bij 27Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der 28leugensprekers zal gestopt worden.