PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 31.

Lemuëls les, van kuisheid en matigheid der koningen, vs. 1, enz. Bedroefden en verdrukten te troosten en bij te staan, 6, enz. Lof en eigenschappen ener deugdelijke huisvrouw, 10, enz.

De woorden van Lemuël
1

DE woorden 1van den koning 2Lemuël; de 3last waarmede 4zijn moeder hem 5onderwees.

2

6Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon 7mijns buiks; ja, wat, o zoon 8mijner geloften?

3

Geef aden vrouwen uw 9vermogen niet, noch 10uw wegen 11om koningen te verdelgen.

4

12Het komt den koningen niet toe, o Lemoël, het komt den koningen niet toe 13wijn te drinken, 14en den prinsen sterken drank te begeren,

5

Opdat hij 15niet drinke en het 16gezette vergete, en de rechtszaak aller 17verdrukten verandere.

6

Geeft sterken drank dengene die 18verloren gaat, en wijn dengenen die 19bitterlijk bedroefd van ziel zijn;

7

Dat 20hij drinke en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.

8

21Open uw mond voor 22den stomme, voor de rechtszaak van allen 23die omkomen zouden.

9

Open uw mond, b24oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

De lof der deugdelijke huisvrouw
10

25Aleph. Wie zal ceen 26deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is ver boven de 27robijnen.

11

Beth. Het hart haars 28heren vertrouwt op haar, zodat hem geen 29goed zal ontbreken.

12

Gimel. Zij 30doet hem goed 31en geen kwaad, al de dagen haars levens.

13

Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en 32werkt met 33lust harer handen.

14

He. Zij is 34als de schepen eens koopmans; zij doet haar 35brood 36van verre komen.

15

Vau. En zij staat op als het nog nacht is, en geeft haar 37huis 38spijze, en haar dienstmaagden het hun 39bescheiden deel.

16

Zain. Zij 40denkt om een akker en 41krijgt hem; van de 42vrucht harer handen plant zij een wijngaard.

17

Cheth. 43Zij gordt haar lendenen met kracht, en 44zij versterkt haar armen.

18

Teth. Zij 45smaakt dat haar koophandel 46goed is; 47haar lamp gaat des nachts niet uit.

19

Jod. Zij steekt haar handen uit naar 48de spil, en haar handpalmen 49vatten het spinrok.

20

Caph. Zij 50breidt haar handpalm uit tot den ellendige, en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.

21

Lamed. Zij vreest voor haar 51huis niet vanwege de 52sneeuw, want haar ganse huis is 53met dubbele klederen gekleed.

22

Mem. Zij maakt voor zich 54tapijtsieraad; haar kleding is 55fijn linnen en 56purper.

23

Nun. Haar man is bekend in de 57poorten, als hij zit met de 58oudsten des lands.

24

Samech. Zij maakt 59fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den 60koopman 61gordels.

25

Ain. 62Sterkte en 63heerlijkheid zijn 64haar kleding; en 65zij lacht over 66den nakomenden dag.

26

Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid, en op haar tong is 67leer der goeddadigheid.

27

Tsade. Zij beschouwt de 68gangen van haar huis, en het brood 69der luiheid eet zij niet.

28

Koph. Haar 70kinderen 71staan op en roemen haar welgelukzalig; ook 72haar man, en hij prijst haar, zeggende:

29

Resch. 73Vele 74dochters hebben 75deugdelijk gehandeld, maar gij gaat die allen te boven.

30

Schin. 76De bevalligheid 77is bedrog, en de schoonheid 78ijdelheid, maar een vrouw 79die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.

31

Thau. 80Geeft haar van 81de vrucht harer 82handen, en laat haar werken haar prijzen 83in de poorten.

Einde der Spreuken van SÁLOMO.