HET EERSTE BOEK VANMOZES,GENAAMDGENESIS

HOOFDSTUK 2.

God rust op den zevenden dag, vss. 1, 2. Zegent en heiligt dien, 3. Verordent natuurlijke middelen tot vruchtbaarheid des aardrijks, 5. Nader verhaal van de schepping des mensen naar lichaam en ziel, 7. God stelt den mens in het paradijs, 8. Hetwelk beschreven wordt, met de rivieren van dien, 9. Verbod nopende den boom der kennis des goeds en des kwaads, 17. Adam geeft den gedierten hun namen, 19. Breder verhaal van de schepping der vrouw, 21. Die van Adam gekend en met bijzonder genoegen aangenomen wordt, 23. De echtelijke staat, 24. Naaktheid der mensen, 25.

De zevende dag geheiligd
1

ALZO zijn volbracht de 1hemel en de aarde en 2al hun heir.

2

aAls nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, 3heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

3

En God 4heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had 5om te volmaken.

De schepping van den mens
4

Dit zijn 6de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als 7de HEERE God de aarde en den hemel maakte,

5

En allen struik des velds, 8eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, 8eer het uitsproot; 9want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest om den aardbodem te bouwen.

6

10Maar 11een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde 12den gansen aardbodem.

7

En de HEERE God had den mens 13geformeerd 14uit bhet stof der aarde 15en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens ctot een 16levende ziel.

8

Ook had de HEERE God een 17hof 18geplant in 19Eden, 20tegen het oosten; en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.

9

En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en 21goed tot spijze; en dden boom 22des levens in het midden van den hof, en den 23boom der kennis des goeds en des kwaads.

10

En 24een rivier was voortgaande 25uit Eden om dezen hof te bewateren, en werd vandaar verdeeld en werd 26tot vier hoofden.

11

De naam der eerste rivier is 27Pison; deze is het die het ganse land van 28Havíla 29omloopt, waar het goud is.

12

En het goud van dit land is goed; daar is ook30bedólah en de steen 31sardonyx.

13

En de naam der tweede rivier is 32Gihon; deze is het die het ganse land 33Cusch omloopt.

14

En de naam der derde rivier is 34Hiddékel; deze is gaande naar het oosten van 35Assur. En de vierde rivier is 36Frath.

15

Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden om dien te bouwen en dien te bewaren.

16

En de HEERE God 37gebood 38den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs 39zult gij vrijelijk eten;

17

Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij 40den dood sterven.

Het huwelijk
18

Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die41als tegen hem over zij.

19

Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo 42bracht Hij ze 43tot Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle 44levende ziel noemen zou, 45dat zou haar naam zijn.

20

Zo had Adam genoemd de namen van al het vee en van het gevogelte des hemels en van al het gedierte des velds; maar 46voor den mens vond hij geen hulpe die als tegen hem over ware.

21

Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben en 47sloot derzelver plaats toe met vlees.

22

En de HEERE God 48bouwde de ribbe, die Hij evan Adam genomen had, tot een vrouw; en Hij bracht haar tot Adam.

23

Toen zeide Adam: 49Deze is ditmaal fbeen van mijn benen en vlees van mijn vlees; men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.

24

gDaarom zal de man zijn vader en zijn moeder 50verlaten en zijn vrouw aankleven, hen zij zullen tot één vlees zijn.

25

En zij waren beiden inaakt, Adam en zijn vrouw; en 51zij schaamden zich niet.