HET EERSTE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 28.

Davids laatste bevel aan de vorsten, vs. 1, enz. En aan Salomo, aangaande het onderhouden van alle geboden Gods, en met name van de opbouwing des tempels, 9. Hij geeft Salomo een voorbeeld van het ganse gebouw, mitsgaders van alle vaten daartoe behorende, 14. Korte herhaling van de vermaning Davids aan Salomo, 20.

David draagt Sálomo den tempelbouw op
1

TOEN 1 vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten der stammen en 2de oversten der verdelingen, den koning dienende, en de oversten der duizenden en de oversten der honderden en de oversten van alle have en vee des konings en 3zijner zonen, met 4de kamerlingen en de helden, ja, allen kloeken held.

2

En de koning David 5stond op zijn voeten en hij zeide: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk. Ik had in mijn hart 6een huis der rust voor de ark des verbonds des HEEREN te bouwen en voor de 7voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.

3

aMaar God heeft tot mij gezegd: Gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt 8veel bloed vergoten.

4

Nu heeft mij de HEERE, de God Israëls, verkoren uit mijns vaders ganse huis, dat ik tot koning over Israël wezen zou 9in eeuwigheid, want Hij heeft 10Juda tot een voorganger verkoren en mijns vaders huis in het huis van Juda; en onder de zonen mijns vaders heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, bdat Hij mij ten koning maakte over gans Israël.

5

En uit al mijn zonen (want de HEERE heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Sálomo verkoren, dat hij zitten zou op den stoel des koninkrijks des HEEREN over Israël.

6

En cHij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Sálomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon en dIk zal hem tot een Vader zijn.

7

En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot 11in eeuwigheid, indien hij sterk wezen zal om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, 12gelijk te dezen dage.

8

Nu dan, voor de ogen van het ganse Israël, de gemeente des HEEREN, en voor de oren onzes Gods, 13houdt en zoekt al de geboden des HEEREN uws Gods; opdat gijlieden dat goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.

9

En gij, mijn zoon Sálomo, ken 14den God uws vaders en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want ede HEERE doorzoekt alle harten en Hij verstaat 15al het gedichtsel der gedachten. Indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.

10

Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk 16en doe het.

11

En David gaf zijn zoon Sálomo een 17voorbeeld van het voorhuis, met zijn behuizingen en zijn schatkamers en zijn opperzalen en zijn binnenkamers, en van het huis 18des verzoendeksels,

12

En een voorbeeld van alles wat 19bij hem 20door den Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis des HEEREN en van alle kamers rondom, 21tot de schatten van het huis Gods en tot de schatten der heilige dingen,

13

En 22van de verdelingen der priesters en der Levieten en van alle werk van den dienst van het huis des HEEREN, en van alle vaten van den dienst van het huis des HEEREN.

14

23Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten 24van elken dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot al de vaten 24van elken dienst;

15

En het gewicht tot de gouden kandelaars en hun gouden lampen, naar het gewicht 25van elken kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar den dienst van elken kandelaar.

16

Ook gaf hij het goud naar het gewicht 26tot de tafelen der toerichting, 27tot elke tafel; en het zilver tot de zilveren tafelen;

17

En louter goud tot de krauwels en tot 28de sprengbekkens en tot de schotels; en tot gouden bekers, het gewicht 29tot elken beker; desgelijks tot zilveren bekers, tot elken beker het gewicht;

18

En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld 30des wagens, te weten der cherubs, die de vleugels zouden uitbreiden en de ark des verbonds des HEEREN overdekken.

19

Dit alles 31heeft men mij, zeide David, 32bij geschrifte te verstaan gegeven van de hand des HEEREN, te weten al de werken van dit voorbeeld.

20

En David zeide tot zijn zoon Sálomo: fWees sterk en heb goeden moed en doe het, vrees niet en wees niet verslagen; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot den dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.

21

En zie, daar zijn de verdelingen der priesters en der Levieten, tot allen dienst van het huis Gods; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot allen dienst, ook de vorsten en het ganse volk, bereid tot al uw 33bevelen.