DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 50.

De Heere betuigt dat Hij geen oorzaak is van de verwerping der Joden, maar hun zonden, vs. 1, enz. Met verhaal Zijner macht, 2. Christus verhaalt hoe getrouwelijk Hij Zijn ambt bediend heeft, 4. Zelfs met versmaadheid en smarten, 6. Door de hulp Zijns hemelsen Vaders, 7. Hij vermaant de gelovige Joden op den Heere te vertrouwen, 10. En dreigt de goddelozen met de helse smarten, 11.

1

ALZO zegt de HEERE: 1Waar is 2de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede Ik haar 3weggezonden heb? Of wie is er van Mijn 4schuldeisers, 5aan wien Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.

2

Waarom kwam Ik, en 6er was niemand? Waarom riep Ik, en niemand antwoordde? aIs Mijn hand dus 7gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan? Of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Zie, door Mijn schelding 8maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.

3

9Ik bekleed den hemel met 10zwartheid, en stel 11een zak tot zijn deksel.

De lijdende Knecht
4

12De Heere HEERE heeft Mij een tong 13der geleerden gegeven, opdat Ik wete 14met den moede een woord 15te rechter tijd te spreken; 16Hij wekt 17allen morgen, 18Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, 19gelijk die geleerd worden.

5

De Heere HEERE 20heeft Mij het oor geopend, en bIk ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts.

6

21Ik geef Mijn rug dengenen die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen 22die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet 23voor smaadheden en 24speeksel.

7

Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom 25heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet dat Ik niet zal beschaamd worden.

8

26Hij is nabij cDie Mij rechtvaardigt; wie zal met Mij twisten? Laat ons tezamen staan. 27Wie heeft een rechtszaak tegen Mij? 28Hij kome herwaarts tot Mij.

9

Zie, de Heere HEERE helpt Mij; wie is het 29die Mij zal verdoemen? Zie, 30zij zullen altemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten.

10

31Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die 32naar de stem Zijns Knechts hoort? 33Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN en 34steune op zijn God.

11

35Zie, gij allen 36die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt: 37wandelt in de vlam van uw vuur en in de spranken die gij ontstoken hebt. 38Dat geschiedt u 39van Mijn hand, 40in smart zult gijlieden liggen.