DE PROFEETEZECHIËL

HOOFDSTUK 17.

Door de gelijkenis van een arend, halende een cedertakje van den Libanon, en plantende een nieuwen wijnstok; mitsgaders een anderen groten arend, naar welken die wijnstok zich neigde, stelt God Zijn volk voor, de gevankelijke wegvoering van den koning Jechonia en anderen door den koning van Babel, de aanstelling van Zedekia tot koning in zijn plaats, en deszelfs meinedigheid en afval tot den koning van Egypte, vss. 1, 2, 3, enz. Dies God voorzegt, dat hij van Egypte en zijn eigen volk verlaten, en naar Babel gevankelijk zal weggevoerd worden, 15. Belooft evenwel een ander nieuw evangelisch cedertakje, tot heil Zijns volks, 22.

De wijnstok en de twee arenden
1

EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2

Mensenkind, stel een 1raadsel voor en gebruik een 2gelijkenis 3tot het huis Israëls,

3

En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: 4Een arend die groot was, 5groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die 6verscheidene verven had, kwam op den 7Libanon en nam den 8oppersten tak van een 9ceder.

4

Hij plukte den top 10zijner jonge takjes af, en bracht hem in een land van 11koophandel, hij zette hem in 12een stad van 13kooplieden.

5

14Hij nam ook van 15het zaad des lands en 16legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het 17bij vele wateren, 18met grote voorzichtigheid.

6

En 19het sproot uit en werd tot een weelderig uitlopenden wijnstok, 20doch nederig van 21stam, ziende met zijn takken 22naar hem, dewijl zijn wortels onder hem waren. Zo werd 23hij tot een wijnstok die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.

7

Nog was er een 24grote arend, 25groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en zie, 26deze wijnstok voegde 27zijn wortelen naar 28denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat 29hij 30hem bevochtigen zou 31naar de bedden 32zijner planting toe.

8

Hij was in een goede landouw bij vele wateren 33geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.

9

Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal 34hij gedijen? Zal 35hij niet 36zijn wortels uitrukken en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; 37en dat 38niet door een groten arm, noch door veel volk, om dien van zijn wortels weg te voeren.

10

Ja, zie, 39zal hij geplant zijnde gedijen? 40Zal hij niet, als de 41oostenwind hem aanroert, 42gans verdrogen? 43Op de bedden 44van zijn gewas zal hij verdrogen.

11

Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

12

Zeg nu tot 45dat wederspannig huis: Weet gij niet wat 46deze dingen 47zijn? Zeg: 48Zie, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft 49haar koning genomen en haar 50vorsten, en heeft hen tot zich gevoerd naar Babel.

13

Daartoe heeft hij van het 51koninklijk zaad genomen, en daarmede aeen verbond gemaakt, en heeft hem tot 52een eed gebracht, en de 53machtigen des lands heeft hij 54weggenomen;

14

Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het 55zijn verbond houdende, bestaan mocht.

15

Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, bopdat men hem paarden en veel volk bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen die zulke dingen doet? Ja, zal hij 56het verbond breken en ontkomen?

16

Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet 57in de plaats des konings die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht en wiens verbond hij gebroken heeft, 58bij hem in het midden van Babel 59zal sterven!

17

Ook zal Farao door een groot heir en door menigte van krijgsvergadering met 60hem in oorlog cniets uitrichten, 61als men een dwal zal 62opwerpen en als men esterkten bouwen zal, om 63vele zielen uit te roeien.

d Ez. 4:2.
18

Want 64hij heeft den 65eed veracht, brekende het verbond, daar hij, zie, zijn 66hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.

19

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik 67Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve 68niet op zijn hoofd geve!

20

En Ik zal 69Mijn fnet over 70hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal 71daar met hem grechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.

21

Daartoe zullen al 72zijn vluchtenden met al zijn 73benden 74door het hzwaard vallen, en de overgeblevenen zullen 75in alle winden iverstrooid worden; en gijlieden zult weten dat Ik, de HEERE, gesproken heb.

22

Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook 76van den oppersten tak des hogen 77ceders 78nemen, dat Ik 79zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik 80een tederen afplukken, denwelken Ik op 81een hogen en verheven berg planten zal;

23

Op den berg 82der hoogte Israëls zal Ik hem planten, en hij zal takken voortbrengen en 83vrucht 84dragen, en hij zal tot een 85heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zullen 86alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.

24

Zo zullen alle 87bomen des velds weten dat Ik, de HEERE, 88den hogen boom vernederd heb, 89den nederigen boom verheven heb, 90den groenen boom verdroogd en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.