DE PROFEETJEREMÍA

HOOFDSTUK 51.

Verdere profetie van den val en de verstoring van het weelderige, gierige, tirannige en afgodische Babel, en van de genadige verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenis, vs. 1, enz. Jeremia beveelt Seraja het boek waarin hij deze profetieën had geschreven, bij Babel in de rivier Frath, met een aangebonden steen, te werpen, tot een teken van Babels eeuwige verzinking, 59.

Babels eeuwige ondergang
1

ZO zegt de HEERE: Zie, Ik zal een 1verdervenden awind opwekken tegen Babel, en tegen degenen die daar wonen in het 2hart van degenen die tegen Mij opstaan.

2

En Ik zal Babel b3wanners toeschikken, die haar wannen en haar land uitledigen zullen; want zij 4zullen ten dage des 5kwaads van rondom tegen haar zijn.

3

De 6schutter spanne zijn boog tegen dien die 7spant, en tegen dien die zich verheft in zijn 8pantsier; en verschoont 9haar jongelingen niet, 10verbant al haar heir;

4

Dat de verslagenen 11liggen in het land der Chaldeeën, en de doorstokenen op haar cstraten.

5

Want Israël noch Juda zal in 12weduwschap gelaten worden van zijn God, van den HEERE der 13heirscharen (hoewel 14hunlieder land vol van 15schuld is), van den 16Heilige Israëls.

6

dVliedt uit het midden van Babel en redt een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar 17ongerechtigheid; want dit is de tijd der ewrake des HEEREN, Die haar de 18verdienste betaalt.

7

Babel was een gouden 19beker in de hand des HEEREN, die de ganse aarde dronken maakte; de volken hebben van 20haar wijn gedronken, daarom zijn de volken 21dol geworden.

8

Schielijk is Babel fgevallen en verbroken; huilt over haar, neemt g22balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.

9

Wij hebben Babel 23gemeesterd, maar zij is niet genezen; hverlaat haar dan, en 24laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar 25oordeel reikt tot aan den hemel en is 26verheven tot aan de 27bovenste wolken.

10

28De HEERE heeft onze 29gerechtigheden hervoorgebracht; komt en laat ons te Sion het werk des HEEREN onzes Gods vertellen.

11

i30Zuivert de pijlen, 31rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van 32Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de kwraak Zijns 33tempels.

12

Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de 34lagen; want gelijk de HEERE heeft 35voorgenomen, alzo heeft Hij gedaan wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.

13

Gij die aan vele 36wateren woont, die machtig zijt van schatten: uw 37einde is gekomen, de 38maat uwer gierigheid.

14

lDe HEERE der heirscharen heeft gezworen 39bij Zijn ziel: 40Ofschoon Ik u met mensen als met41kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkander een 42vreugdegeschrei 43over u toeroepen.

15

44Die de maarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel nuitgebreid door Zijn verstand;

16

Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

17

Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.

18

IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

19

Jakobs oDeel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en 45Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

20

46Gij zijt Mij peen 47voorhamer en48krijgswapenen; en door u 49zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven.

21

En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijn 50ruiter.

22

En door u zal Ik in stukken slaan den man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw.

23

En door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn 51juk ossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden.

24

52Maar Ik zal Babel en allen inwoners van 53Chaldéa vergelden al hun boosheid die zij gedaan hebben aan Sion, voor 54ulieder ogen, spreekt de HEERE.

25

Zie, Ik 55wil aan u, gij verdervende 56berg (spreekt de HEERE), gij die de ganse 57aarde verderft; en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken en u van de 58steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des 59brands.

26

En zij zullen uit u geen 60steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fundamenten; 61want gij zult tot62eeuwige woestheden zijn, spreekt de HEERE.

27

Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, 63heiligt de heidenen tegen haar, 64roept tegen haar bijeen de koninkrijken van 65Ararát, 66Minni en 67Askenaz; bestelt een 68krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts als 69ruige 70kevers.

28

Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van 71Medië, 72haar landvoogden en al haar overheden, ja, het ganse land 73harer heerschappij.

29

Dan zal het land beven en pijn lijden; want 74elkeen van des HEEREN gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij.

30

Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn 75gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot q76vrouwen geworden. 77Zij hebben haar woningen aangestoken, haar 78grendels zijn verbroken.

31

79De loper zal den loper tegemoet lopen en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den koning van Babel bekend te maken dat zijn stad 80van het einde is ingenomen;

32

En dat de 81veren ingenomen en de 82rietpoelen met vuur verbrand zijn, en dat de krijgslieden verbaasd zijn.

33

Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: 83De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd dat men ze 84trede; nog een 85weinig, dan zal haar de tijd des 86oogstes overkomen.

34

87Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft mij 88opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn 89balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij 90verdreven.

35

Het geweld 91dat mij en mijn 92vlees is aangedaan, 93zij op Babel, zegge 94de inwoneres van Sion; en mijn 95bloed zij op de inwoners van 96Chaldéa, zegge Jeruzalem.

36

Daarom, zo zegt de HEERE: 97Zie, Ik zal uw 98twist twisten en uw wraak wreken, en Ik zal haar r99zee droogmaken en haar 100springader opdrogen.

37

En Babel zal worden tot steenhopen, een woning der draken, een ontzetting en 1aanfluiting, dat er geen inwoner zij.

38

2Zij zullen tezamen brullen als jonge leeuwen, 3briesen als leeuwenwelpen.

39

Als zij 4verhit zijn, zal Ik hun 5drank opzetten en zal hen dronken maken, opdat zij 6opspringen; maar zij zullen een 7eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de HEERE.

40

Ik zal hen afvoeren als lammeren om te 8slachten, als rammen 9met bokken.

41

10Hoe is s11Sesach zo veroverd, en de t12roem der ganse aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een 13ontzetting onder de heidenen!

42

14Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt.

43

Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land 15waarin 16niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat.

44

En Ik zal bezoeking doen over 17Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen wat hij 18verslonden heeft, en de heidenen zullen niet meer tot hem 19toevloeien; want ook Babels muur 20is gevallen.

45

Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijn ziel, 21vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN,

46

En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het 22gerucht dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het 23ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, 24heer over heer.

47

Daarom, zie, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de 25gesneden beelden van Babel, en haar ganse land zal beschaamd worden; en al 26haar verslagenen zullen in het midden van haar 27liggen.

48

En de 28hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen 29over Babel; want van het 30noorden 31zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.

49

Gelijk Babel geweest is 32tot een val der 33verslagenen van Israël, alzo zullen 34te Babel de verslagenen des gansen lands vallen.

50

35Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg, blijft niet staan; gedenkt des HEEREN van 36verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart 37opkomen.

51

Gij mocht38zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat 39uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;

52

40Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over 41haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal 42kermen in haar ganse land.

53

Al klom Babel ten hemel op, en 43al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de HEERE.

54

Er is een stem des gekrijts uit Babel, en een grote 44breuk uit het land der Chaldeeën.

55

Want de 45HEERE verstoort Babel en zal de 46grootse stem uit haar doen vergaan; want 47hunlieder golven zullen bruisen als 48grote wateren, het 49geruis van hunlieder geluid 50zal zich verheffen.

56

51Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hunlieder bogen 52zijn verbroken; want de HEERE, de God der vergelding, zal haar53zekerlijk betalen.

57

En Ik zal haar vorsten en haar wijzen, haar landvoogden en haar overheden, en haar helden 54dronken maken; en zij zullen een 55eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.

58

Zo zegt de HEERE der heirscharen: De 56brede 57muur van Babel zal ten enenmale 58ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de 59volken 60tevergeefs, en de natiën ten 61vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat werden.

59

Het 62woord dat de profeet Jeremía beval aan Serája, den zoon van Neríja, den zoon van Machséja, als hij 63van Zedekía, den koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regering; en Serája was een 64vreedzaam vorst.

60

Jeremía nu schreef al het kwaad dat over Babel komen zou, in een 65boek, te weten al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn.

61

En Jeremía zeide tot Serája: Als gij te Babel komt, zo zult gij 66zien en lezen al deze woorden,

62

En zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot67eeuwige woestheden.

63

En het zal geschieden als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden en werpen het in het midden van den 68Frath,

64

En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken en niet weder opkomen, 69vanwege het kwaad dat Ik over 70haar zal brengen, en 71zij zullen mat worden.
72Tot hiertoe zijn de 73woorden van Jeremía.