PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 5.

Vermaan tot studering der wijsheid, vs. 1. Ernstige waarschuwing tegen onkuise vrouwen, 3. Vermaning tot een zedig en vrolijk leven in den echtelijken staat, 15. God ziet alles, vangt en verderft de goddelozen in hun zonden, 21.

Waarschuwing tegen hoererij
1

MIJN zoon, merk op mijn 1wijsheid; neig uw oor tot mijn 1verstand;

2

Opdat gij alle 2bedachtzaamheid behoudt, en uw 3lippen wetenschap bewaren.

3

4Want de 5lippen 6der vreemde vrouw 7druppen ahoningzeem, en 8haar gehemelte is gladder dan olie;

4

Maar 9het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als 10een tweesnijdend zwaard.

5

bHaar voeten dalen naar 11den dood, haar treden 12houden de 13hel vast.

6

14Opdat gij het 15pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar 16gangen 17ongestadig, 18dat gij het niet 19merkt.

7

Nu dan, gij kinderen, hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

8

20Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis,

9

Opdat gij 21anderen uw 22eer niet 23geeft, en uw 24jaren cden 25wrede;

10

Opdat de 26vreemden zich niet verzadigen 27van uw vermogen, en 28al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des 29onbekenden,

11

En gij in uw laatste 30brult, als uw vlees en uw lijf verteerd is,

12

En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad,

13

En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oor geneigd tot mijn leraars!

14

31Ik ben bijna in alle 32kwaad geweest, 33in het midden der gemeente en der vergadering.

15

34Drink water uit uw bak, en 35vloeden uit het midden van uw bornput.

16

Laat uw 36fonteinen zich buiten verspreiden, en de 37waterbeken op de straten;

17

38Laat ze uwe alleen zijn, en van geen vreemden met u.

18

39Uw springader zij gezegend, en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;

19

Een 40zeer lieflijke hinde en 41aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijde 42dronken maken; 43dool steeds in haar liefde.

20

En waarom zoudt gij, mijn zoon, 44in een vreemde dolen, en den schoot der 45onbekende omvangen?

21

Want 46eens iegelijks wegen zijn voor de dogen des HEEREN, en Hij 47weegt al zijn gangen.

22

Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonde zal hij vastgehouden worden.

23

Hij zal sterven, 48omdat hij zonder tucht geweest is, en in de 49grootheid zijner dwaasheid zal hij 50verdwalen.