HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 55.

David zijnde in gevaar van omsingeld en overvallen te worden, klaagt God zijn benauwdheid, en bidt zeer angstiglijk om vernietiging van de aanslagen zijner vijanden, welker wreedheid, valsheid en trouweloosheid (bijzonderlijk van één) hij Gode voordraagt, doch profeterende hun ondergang en zich verzekerende van Gods verhoring, sterkt zichzelven en alle gelovigen in het vertrouwen op God, Die de vromen behoudt en de goddelozen verdoet.

Gebed tegen valse vrienden
1

EEN 1onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Neginôth.

2

O God, neem mijn gebed ter ore, en verberg U niet voor mijn smeking.

3

Merk op mij en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn 2klacht en maak 3getier;

4

Om den 4roep des vijands, vanwege de beangstiging 5des goddelozen; want zij schuiven 6ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

5

Mijn hart 7smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des 8doods zijn op mij gevallen.

6

Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

7

Zodat ik zeg: 9Och, dat mij iemand 10vleugelen als ener 11duive gave! Ik zou heenvliegen, 12waar ik blijven mocht.

8

Zie, ik zou 13ver wegzwerven, ik zou 14vernachten in de woestijn. 15Sela.

9

16Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den 17drijvenden wind, van den storm.

10

Verslind hen, Heere, deel hun 18tong; want ik zie 19wrevel en twist in de 20stad.

11

Dag en nacht 21omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

12

22Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

13

Want het is geen 23vijand die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet die zich tegen mij 24groot maakt, anders zou ik mij voor hem 25verborgen hebben.

14

Maar gij zijt het, o mens, als van mijn 26waardigheid; mijn 27leidsman en mijn bekende;

15

Wij die tezamen 28in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden 29in gezelschap ten huize Gods.

16

30Dat hen de 31dood als een schuldeiser overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun 32woning, in het binnenste van hen.

17

Mij aangaande, ik zal tot God roepen; en de HEERE zal mij verlossen.

18

33Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.

19

Hij heeft mijn 34ziel in vrede verlost van den strijd 35tegen mij; want 36met menigten zijn zij tegen mij geweest.

20

God zal horen en zal hen plagen, als Die vanouds 37zit. 38Sela. Dewijl bij hen 39gans geen verandering is en zij God niet vrezen.

21

40Hij 41slaat zijn handen aan degenen die 42vrede met hem hadden; hij ontheiligt zijn 43verbond.

22

Zijn 44mond is gladder 45dan boter, maar zijn hart is 46krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn 47blote zwaarden.

23

48Werp 49uw zorg op den HEERE, en Hij zal u 50onderhouden; 51Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankele.

24

Maar Gij, o God, zult 52die doen nederdalen in den put des verderfs; de 53mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter 54helft brengen; ik daarentegen zal op U vertrouwen.