HET EERSTE BOEK VANMOZES,GENAAMDGENESIS

HOOFDSTUK 42.

Jakob horende, dat in Egypte koren te bekomen was, schikt derwaarts al zijn zonen, behalve Benjamin, vs. 1, enz. Zij buigen zich voor Jozef, dien zij niet kennen, maar hij kent hen, spreekt hen hard aan, en zet hen als verspieders gevangen, 6. Doch ten laatste bedingende Benjamin tot hem te brengen, en houdende Simeon in bewaring, laat hij hen met koren en hun geld wedertrekken; ondertussen wroegt hen de zonde aan Jozef begaan, 18. Onderweg wordt een zijn geld gewaar in den zak, 27. Te huis komende vertellen zij Jakob hun wedervaren, en vinden allen hun geld, 29. Zij pogen Jakob te overreden, dat hij Benjamin met hen zou laten gaan naar Egypte, maar hij klaagt zeer, en kan daartoe niet besluiten, 36.

Jozefs broeders gaan naar Egypte
1

TOEN Jakob 1zag dat er 2koren in Egypte was, zo zeide Jakob tot zijn zonen: Waarom 3ziet gij op elkander?

2

Voorts zeide hij: Zie, aik heb gehoord dat er koren in Egypte is; trekt daarheen af en koopt ons koren vandaar, opdat wij leven en niet sterven.

3

Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te kopen.

4

Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broederen; want 4hij zeide: Opdat hem niet misschien 5het verderf ontmoete.

5

Alzo kwamen Israëls zonen om te kopen, 6onder degenen die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän.

6

Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen ben 7bogen zich voor hem met de aangezichten ter aarde.

7

Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij 8hield zich vreemd jegens hen en sprak 9hard met hen, en zeide tot hen: Vanwaar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaän, om spijze te kopen.

8

Jozef dan kende zijn broederen, maar zij kenden hem niet.

9

Toen gedacht Jozef caan de dromen die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen 10waar het land bloot is.

10

En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer, maar uw knechten zijn gekomen om spijze te kopen.

11

Wij allen zijn ééns mans zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders.

12

En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen om te bezichtigen waar het land bloot is.

13

En zij zeiden: 11Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, ééns mans zonen in het land Kanaän; en zie, dde 12kleinste is heden bij onzen vader, doch 13de één, die is niet meer.

14

Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, 14wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders.

15

15Hierin zult gij beproefd worden: 16zo waarlijk als Farao leeft, 17indien gij vanhier zult uitgaan, tenzij dan wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn.

16

Zendt één uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden 18gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u is; en indien niet, 19zo waarlijk als Farao leeft, zo zijt gij verspieders.

17

En hij 20zette hen tezamen drie dagen in bewaring.

18

En ten derden dage zeide Jozef tot hen: 21Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God.

19

Zo gij vroom zijt, zo zij 22één uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt 23het koren voor den honger uwer huizen.

20

En ebrengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden en gij zult niet sterven. En zij deden alzo.

21

Toen zeiden zij de een tot den ander: 24Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziel wij zagen, 25toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet; daarom komt deze benauwdheid over ons.

22

En Ruben antwoordde hun, zeggende: fHeb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling? Maar gij hoordet niet; en ook 26zijn bloed, zie, het wordt gezocht.

23

En zij wisten niet, dat het Jozef 27hoorde; 28want daar was een taalman tussen hen.

24

Toen 29wendde hij zich om van hen af en weende; daarna keerde hij weder tot hen en sprak tot hen, en nam 30Simeon van hen en 31bond hem voor hun ogen.

25

En Jozef gebood, dat men hun 32zakken met koren vullen zou en dat men 33hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men 34deed hun alzo.

26

En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen vandaar.

27

Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want zie, het was in den mond van zijn zak.

28

En hij zeide tot zijn broederen: Mijn geld is wedergekeerd; daartoe ook, zie, het is in mijn zak. Toen 35ontging hun het hart en zij 36verschrikten, 37de een tot den ander zeggende: 38Wat is dit, dat ons God gedaan heeft?

29

En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen 39al hun wedervaren, zeggende:

30

Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en 40hij heeft ons gehouden als verspieders des lands.

31

Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.

32

Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een, die is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaän.

33

En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen dat gijlieden vroom zijt; laat één uwer broederen bij mij, en 41neemt voor den honger uwer huizen en trekt heen.

34

En brengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land 42handelen.

35

En het geschiedde als zij hun gzakken ledigden, zie, zo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, 43en zij waren bevreesd.

g vers 25; Gen. 44:1.
36

Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen: Jozef, die is er niet, en 44Simeon, die is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen; al deze dingen zijn tegen mij.

37

Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: 45Dood 46twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand en ik zal hem weder tot u brengen.

38

Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want 47zijn broeder is dood en hij is alleen 48overgebleven; zo hem een 49verderf ontmoette op den weg dien gij zult gaan, zo zoudt gij 50mijn grauwe haren met droefenis 51ten grave doen nederdalen.