DE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DEROMEINEN

HOOFDSTUK 8.

1 Uit hetgeen tot nog toe verklaard is, trekt de apostel deze vertroosting, dat er geen verdoemenis meer is voor de gelovigen. 4 En vermaant hen met verscheidene beweegredenen, dat zij niet naar het vlees, maar naar den Geest moeten wandelen. 17 Verklaart voorts dat het lot der gelovigen in dit leven is met Christus te lijden, maar sterkt hen daartegen met de grootte der heerlijkheid, die daarna zal volgen. 19 En stelt hun voor het voorbeeld van het gehele schepsel, hetwelk daarnaar een natuurlijk verlangen heeft. 23 Vertroost hen verder door de hoop die zij zelven daarvan hebben. 26 En door de hulp des Heiligen Geestes in het gebed. 28 Mitsgaders door de verzekerdheid, die zij, niettegenstaande al het lijden, vasthouden van hun verkiezing, roeping, rechtvaardigmaking en verheerlijking. 31 Besluit dezen troost met een roem in Christus tegen al hetgeen hen zou kunnen beschuldigen of hinderen. 37 En verzekert hen dat zij door Christus in alles zullen overwinnen.

Het nieuwe leven door den Geest
1

ZO is er 1dan nu geen 2verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, 3die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

2

aWant 4de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van 5de wet der zonde en des doods.

3

b6Want 7hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees 8krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende 9in gelijkheid 10des zondigen vleses, en dat11voor de zonde, cde zonde 12veroordeeld 13in het vlees;

4

Opdat 14het recht der wet vervuld zou worden in ons, 15die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

5

dWant 16die naar het vlees zijn, 17bedenken wat des vleses is; maar 18die naar den Geest zijn, 19bedenken wat des Geestes is.

6

Want het bedenken des vleses 20is de dood; maar het bedenken des Geestes 21is het leven en vrede;

7

Daarom dat het bedenken des vleses 22vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want 23het kan ook niet.

8

En die in het vlees zijn, 24kunnen Gode niet behagen.

9

Doch 25gijlieden zijt niet 26in het vlees, maar 27in den Geest, 28zo anders de Geest Gods ein 29u woont. Maar zo iemand 30den Geest van Christus niet heeft, 31die komt Hem niet toe.

10

En indien Christus in ulieden is, zo is wel 32het lichaam dood 33om der zonde wil, maar 34de geest 35is leven 36om der gerechtigheid wil.

11

En indien de Geest Desgenen Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, fzo zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen 37levend maken 38door Zijn Geest, Die in u woont.

12

Zo dan, broeders, wij zijn 39schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.

13

Want indien gij naar het vlees leeft, 40zo zult gij sterven; maar indien gij 41door den Geest 42de werkingen des lichaams 43doodt, zo zult gij leven.

14

gWant zovelen als er door den Geest Gods 44geleid worden, 45die zijn kinderen Gods.

15

hWant gij hebt niet ontvangen 46den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; imaar gij hebt ontvangen 47den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: 48Abba, Vader.

16

kDezelve Geest 49getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

17

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen 50Gods en 51mede-erfgenamen van Christus; lzo wij anders 52met Hem lijden, opdat wij ook 53met Hem verheerlijkt worden.

Drievoudig zuchten
18

mWant ik houd het daarvoor, dat het lijden 54dezes tegenwoordigen tijds 55niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.

19

56Want 57het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.

20

Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, 58niet gewillig, maar 59om diens wil die het der ijdelheid onderworpen heeft;

21

60Op hope dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

22

Want wij weten dat het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe.

23

En niet alleen dit, maar ook wij zelven, 61die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten 62in onszelven, verwachtende 63de aanneming tot kinderen, namelijkn64de verlossing onzes lichaams.

24

Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu 65die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, 66waarom zal hij het ook hopen?

25

Maar indien wij hopen hetgeen wij 67niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.

26

En desgelijks 68komt ook de Geest 69onze zwakheden mede te hulp; owant 70wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf 71bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

27

En 72Die de harten doorzoekt, weet welke 73de mening des Geestes is, dewijl Hij 74naar God voor de heiligen bidt.

De rijkdom der uitverkorenen
28

75En wij weten dat dengenen die God liefhebben, 76alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die 77naar Zijn voornemen 78geroepen zijn.

29

Want die Hij 79tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd 80den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij pde Eerstgeborene zij onder vele broederen.

30

En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook 81geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook 82gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook 83verheerlijkt.

31

84Wat zullen wij dan 85tot deze dingen zeggen? qZo God 86voor ons is, wie zal 87tegen ons zijn?

32

Die ook rZijn eigen Zoon 88niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor 89ons allen 90overgegeven, hoe zal Hij ons ook 91met Hem niet 92alle dingen 93schenken?

33

Wie zal 94beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? sGod is het Die 95rechtvaardig maakt.

34

Wie is het 96die verdoemt? Christus is het 97Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook 98opgewekt is, Die ook 99ter rechterhand Gods is, t100Die ook voor ons bidt.

35

1Wie zal ons scheiden 2van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?

36

(Gelijk geschreven is: vWant om Uwentwil worden wij 3den gansen dag 4gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting.)

37

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door 5Hem Die ons liefgehad heeft.

38

Want 6ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch 7engelen 8noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen,

39

Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van 9de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.