HET BOEK DERRICHTEREN,GENAAMDJUDICUM

HOOFDSTUK 8.

De Efraïmieten murmureren tegen Gideon, maar worden van hem gestild, vs. 1, enz. Hij vervolgt de twee koningen der Midianieten over de Jordaan, alwaar die van Sukkoth en Pnuël spijtiglijk weigeren zijn volk te verkwikken, 4. Hij overvalt en vangt de twee koningen der Midianieten en verstrooit hun overig heir, 11. Wederkomende straft hij die van Sukkoth en Pnuël, 13. Doodt de twee koningen Zebah en Zalmuna, 18. Weigert heer te zijn over Israël, 22. Eist een geschenk van den roof, en maakt daarvan een ergerlijken efod, en stelt dien te Ofra, 24. Gideons kinderen, vrouwen, dood en begrafenis, 30. Israël wordt weder afvallig van God, en is ondankbaar tegen Gideons huis, 33.

Gídeon achtervolgt den vijand
1

TOEN 1 zeiden de mannen van aEfraïm tot hem: Wat 2stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterkelijk met hem.

2

Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan 3gelijk gijlieden? Zijn niet Efraïms 4nalezingen beter dan de wijnoogst van 5Abiëzer?

3

God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; 6wat heb ik dan kunnen doen gelijk gijlieden? Toen liet hun 7toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

4

Als nu Gídeon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over met de driehonderd mannen die bij hem waren, zijnde moede, nochtans 8vervolgende.

5

En hij zeide tot de lieden van 9Sukkoth: Geeft toch enige 10bollen brood aan het volk dat mijn voetstappen 11volgt; want zij zijn moede, en ik jaag Zebah en Zalmûna, de koningen der Midianieten, achterna.

6

Maar de oversten van Sukkoth 12zeiden: 13Is dan de handpalm van Zebah en Zalmûna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?

7

Toen zeide Gídeon: Daarom, als de HEERE Zebah en Zalmûna in mijn hand geeft, zo zal ik uw 14vlees dorsen met doornen der 15woestijn en met distels.

8

En hij toog vandaar op naar 16Pnuël en sprak tot 17hen desgelijks. En de lieden van Pnuël antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.

9

Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede wederkom, zal ik dezen 18toren afwerpen.

10

Zebah nu en Zalmûna waren te Karkor en hun legers met hen, omtrent vijftienduizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de 19gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen die het zwaard 20uittrokken.

11

En Gídeon toog opwaarts, den weg dergenen die in 21tenten wonen, tegen het oosten van 22Nobah en Jógbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was 23zorgeloos.

12

En Zebah en Zalmûna vloden, doch hij jaagde hen na; en hij bving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Zalmûna, en 24verschrikte het ganse leger.

13

Toen nu Gídeon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, 25voor den opgang der zon,

14

Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth en ondervraagde hem; die 26schreef hem op de oversten van Sukkoth en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.

15

Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth en zeide: Ziedaar Zebah en Zalmûna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Zalmûna alrede in uw hand, dat wij uw mannen die moede zijn, brood zouden geven?

16

En hij nam de oudsten dier stad en doornen der woestijn en distels, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve 27verstaan.

17

En den toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de 28lieden der stad.

18

Daarna zeide hij tot Zebah en Zalmûna: Wat waren het voor mannen, die gij te 29Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei van gedaante als koningszonen.

19

Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, de zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden.

20

En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen. Maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.

21

Toen zeiden Zebah en Zalmûna: Sta gij op en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. cZo stond Gídeon op en doodde Zebah en Zalmûna, en nam de 30maantjes die aan de halzen hunner kemels waren.

Gídeon wil niet over Israël heersen
22

Toen zeiden de 31mannen van Israël tot Gídeon: Heers over ons, 32zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.

23

Maar Gídeon zeide tot hen: 33Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.

24

Voorts zeide Gídeon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een 34voorhoofdsiersel van zijn roof. Want 35zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij 36Ismaëlieten waren.

25

En zij zeiden: Wij zullen ze 37gaarne geven. En zij spreidden een kleed uit en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.

26

En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd 38sikkelen goud, zonder de maantjes en 39ketenen en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden die aan de halzen hunner kemels geweest waren.

27

En Gídeon maakte daarvan een 40efod en 41stelde dien in zijn stad, te Ofra; en gans Israël 42hoereerde aldaar denzelven na, en het werd Gídeon en zijn huis tot een 43valstrik.

28

Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israëls en 44hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaar, 45in de dagen van Gídeon.

29

En 46Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en 47woonde in zijn huis.

30

Gídeon nu had zeventig zonen, die uit zijn 48heup voortgekomen waren, want hij had vele vrouwen.

31

En zijn 49bijwijf, dewelke te 50Sichem was, die baarde hem ook een zoon; en hij 51noemde zijn naam 52Abimélech.

32

En Gídeon, de zoon van Joas, stierf in goeden 53ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra des 54Abiëzriets.

33

En het geschiedde als Gídeon gestorven was, dat de kinderen Israëls zich omkeerden en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich 55Baäl-Berith tot een god.

34

En de kinderen Israëls dachten niet aan den HEERE hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.

35

En zij deden 56geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gídeon, naar al het goede dat hij bij Israël gedaan had.