DE KLAAGLIEDERENVAN JEREMÍA

HOOFDSTUK 3.

De profeet vaart voort in het beklagen van den ellendigen staat van het Joodse volk, vs. 1, enz. En den spot der vijanden, 14. Daarna troost hij zich met overlegging van Gods barmhartigheid, gerechtigheid en voorzienigheid, 21, enz. Hij wekt zichzelven en alle mensen op tot boete, geduld en het gebed tot den Heere, 40. Met herhaling van hun ellenden, 43, enz. En troost van de genadige verhoring Gods, 55, enz. Vertrouwende dat God wraak over hun vijanden doen zou, 64, enz.

Troost in ellende
1

ALEPH.1 2Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede 3Zijner verbolgenheid.

2

Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd 4in de duisternis en niet in het licht.

3

Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn 5hand den gansen dag 6veranderd.

4

Beth. 7Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn 8beenderen gebroken.

5

Beth. Hij 9heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met10gal en moeite omringd.

6

Beth. 11Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, 12als degenen die overlang dood zijn.

7

Gimel. Hij heeft 13mij toegemuurd, dat ik er niet uitgaan kan; Hij heeft 14mijn koperen boeien verzwaard.

8

Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, 15sluit Hij de oren voor mijn gebed.

9

Gimel. 16Hij heeft mijn wegen toegemuurd met 17uitgehouwen stenen, Hij 18heeft mijn paden verkeerd.

10

Daleth. 19Hij is mij een loerende beer, 20een leeuw in verborgen plaatsen.

11

Daleth. 21Hij heeft mijn wegen afgewend, 22en Hij heeft mij 23in stukken gebroken; 24Hij heeft mij woest gemaakt.

12

Daleth. 25Hij heeft Zijn boog 26gespannen, en 27Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.

13

He. Hij heeft 28Zijn pijlen 29in mijn nieren doen ingaan.

14

He. Ik ben 30al mijn volk 31tot belaching geworden, hun 32snarenspel den gansen dag.

15

He. Hij heeft mij 33met bitterheden verzadigd, 34Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

16

Vau. 35Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, 36Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

17

Vau. En Gij hebt 37mijn ziel verre van den vrede verstoten, 38ik heb het goede vergeten.

18

Vau. Toen zeide ik: 39Mijn sterkte is vergaan, en 40mijn hoop van den HEERE.

19

Zain. 41Gedenk aan mijn ellende en aan mijn 42ballingschap, 43aan den alsem en gal.

20

Zain. Mijn ziel 44gedenkt er wel terdege aan, en 45zij bukt zich neder in mij.

21

Zain. 46Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen:

22

Cheth. 47Het zijn ade goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, 48dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben.

23

Cheth. 49Zij bzijn allen morgen nieuw, 50Uw trouw is groot.

24

Cheth. 51De HEERE is mijn Deel, 52zegt mijn ziel, cdaarom zal ik op Hem hopen.

25

Teth. De HEERE is goed dengenen 53die Hem verwachten, 54der ziele die Hem zoekt.

26

Teth. 55Het is goed dat men hope en stil zij 56op het heil des HEEREN.

27

Teth. Het is goed 57voor een man 58dat hij het juk 59in zijn jeugd draagt.

28

Jod. 60Hij 61zitte eenzaam en zwijge stil, omdat 62Hij het hem opgelegd heeft.

29

Jod. 63Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: 64dMisschien is er verwachting.

30

Jod. 65Hij geve zijn wang dien die hem slaat, 66hij worde zat van smaad.

31

Caph. 67Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid;

32

Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen 68naar de grootheid Zijner goedertierenheden.

33

Caph. Want Hij plaagt en bedroeft 69des mensen kinderen 70niet van harte.

34

Lamed. 71Dat men al de gevangenen der aarde onder zijn voeten 72verbrijzelt;

35

Lamed. Dat men het recht eens mans 73buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;

36

Lamed. Dat men een mens 74verongelijkt in zijn 75twistzaak; 76zou het 77de Heere niet zien?

37

Mem. e78Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

38

Mem. 79fGaat niet uit 80den mond des Allerhoogsten 81het kwade en het goede?

39

Mem. 82Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn 83zonden.

40

Nun. Laat ons onze 84wegen onderzoeken en doorzoeken, en 85laat ons wederkeren tot den HEERE.

41

Nun. Laat ons ons hart opheffen, 86mitsgaders de handen, 87tot God in den hemel, zeggende:

42

Nun. Wij hebben overtreden en wij zijn wederspannig geweest, 88daarom hebt Gij niet gespaard.

43

Samech. 89Gij hebt ons met toorn bedekt en Gij hebt ons 90vervolgd; Gij hebt ons gedood, 91Gij hebt niet verschoond.

44

Samech. Gij hebt U 92met een wolk bedekt, 93zodat er geen gebed doorkwam.

45

Samech. Gij hebt ons 94tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld in het midden der 95volken.

46

Pe. Al onze vijanden 96hebben hun mond tegen ons opgesperd.

47

Pe. 97De vrees en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking 98.

48

Pe. 99Met100waterbeken loopt mijn oog neder vanwege de breuk 1der dochter mijns volks.

49

Ain. Mijn oog 2vliet en kan niet ophouden, omdat er 3geen rust is;

50

Ain. 4Totdat het5de HEERE van den hemel aanschouwe, en 6het zie.

51

Ain. 7Mijn oog 8doet mijn ziel moeite aan 9vanwege al de dochteren mijner stad.

52

Tsade. Die mijn vijanden zijn 10zonder oorzaak, hebben mij 11als een vogelken 12dapperlijk gejaagd.

53

Tsade. 13Zij hebben 14mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben 15een steen 16op mij geworpen.

54

Tsade. 17De wateren zwommen over mijn hoofd; 18ik zeide: 19Ik ben afgesneden.

55

Koph. HEERE, ik heb Uw Naam aangeroepen 20uit den ondersten kuil.

56

Koph. 21Gij hebt mijn stem gehoord; 22verberg Uw oor niet 23voor mijn zuchten, voor mijn roepen.

57

Koph. Gij zijt 24genaderd ten dage als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet.

58

Resch. Heere, 25Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, 26Gij hebt mijn leven verlost.

59

Resch. HEERE, Gij hebt gezien 27de verkeerdheid die men mij aangedaan heeft; 28oordeel mijn rechtszaak.

60

Resch. Gij hebt al 29hun 30wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.

61

Schin. HEERE, Gij hebt 31hun smaden gehoord en al hun gedachten tegen mij;

62

Schin. 32De lippen dergenen die tegen mij opstaan, en 33hun dichten tegen mij den gansen dag 34.

63

Schin. Aanschouw 35hun zitten en opstaan; ik ben 36hun snarenspel.

64

Thau. HEERE, geef 37hun weder die vergelding 38naar het werk hunner handen.

65

Thau. Geef hun 39een deksel des harten; Uw vloek zij over hen;

66

Thau. Vervolg hen met toorn, en verdelg hen 40van onder den hemel des HEEREN.