PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 12.

Tucht, vs. 1. Goede, rechtvaardige, oprechte en goddeloze mensen, 2, 3, 5, 7, 10, 12, 21, 26. Kloeke en achteloze vrouw, 4. Goed en kwaad, waar en vals spreken en getuigen, 6, 8, 13, 14, 17, 18, 22. Zedigen en pochhanzen, 9. Vlijtigen en lediggangers of bedriegers, 11, 24, 27. Toorn en roem der dwazen, en stilzwijgendheid der verstandigen, 16, 23. Bekommernis en blijdschap des harten, 25. Pad der gerechtigheid, 28.

De rechtvaardige en de goddeloze
1

WIE 1de tucht liefheeft, die heeft de 2wetenschap lief, maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.

2

De 3goede zal 4een welgevallen trekken van den HEERE, maar een man 5van 6schandelijke verdichtselen zal 7Hij 8verdoemen.

3

De mens 9zal niet bevestigd worden door goddeloosheid, a10maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.

4

bEen 11kloeke huisvrouw is een 12kroon haars 13heren; maar 14die beschaamd maakt, 15is als verrotting in zijn beenderen.

5

Der rechtvaardigen gedachten zijn 16recht, der goddelozen 17raadslagen zijn bedrog.

6

cDe woorden der goddelozen zijn d18om op bloed te loeren, maar de mond der oprechten zal 19hen redden.

7

eDe 20goddelozen worden omgekeerd, dat zij 21niet meer zijn; maar het 22huis der rechtvaardigen zal bestaan.

8

Een ieder zal 23geprezen worden 24naar dat zijn verstandigheid is; maar die 25verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.

9

Beter is die zich f26geringacht en 27een knecht heeft, dan die 28zichzelven eert en des broods gebrek heeft.

10

De rechtvaardige g29kent het 30leven zijner beesten, maar de barmhartigheden der goddelozen zijn 31wreed.

11

hDie zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die 32ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

12

De goddeloze begeert het 33net der bozen, maar 34de wortel der rechtvaardigen 35zal uitgeven.

13

iIn de 36overtreding der lippen is de 37strik des bozen, maar de rechtvaardige zal uit de 38benauwdheid 39uitkomen.

14

k40Een ieder wordt van de 41vrucht des monds met 42goed verzadigd; en de vergelding 43van des mensen handen zal hij tot 44zich wederbrengen.

15

l45De weg des dwazen is recht 46in zijn ogen, maar die naar 47raad hoort, is wijs.

16

De toorn des dwazen wordt 48ten zelven dage 49bekend; maar die 50kloekzinnig is, bedekt de 51schande.

17

mDie waarheid 52voortbrengt, maakt 53gerechtigheid bekend, maar een getuige der valsheden 54bedrog.

18

nDaar is een die 55woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is 56medicijn.

19

57Een waarachtige lip zal 58bevestigd worden in eeuwigheid, maar een valse tong is maar voor een ogenblik.

20

Bedrog is in het hart dergenen die 59kwaad smeden, maar degenen die vrede raden, hebben 60blijdschap.

21

Den rechtvaardige zal geen 61leed wedervaren, maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.

22

62Valse lippen zijn den HEERE een gruwel, maar die 63trouwelijk handelen, zijn Zijn 64welgevallen.

23

oEen kloekzinnig mens 65bedekt de wetenschap, maar het hart der zotten proept 66dwaasheid uit.

24

qDe hand der vlijtigen zal heersen, maar de 67bedriegers zullen 68onder cijns wezen.

25

rBekommernis in het hart des mensen buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het.

26

De rechtvaardige is 69voortreffelijker dan zijn 70naaste, maar de 71weg der goddelozen doet 72hen dwalen.

27

73Een bedrieger zal zijn 74jachtvang 75niet braden, maar het 76kostelijk goed des mensen is des 77vlijtigen.

28

78In het pad der gerechtigheid is het leven, en in den weg van haar voetpad is de dood niet.