DE PROFEETJEREMÍA

HOOFDSTUK 10.

God verbiedt Zijn volk de heidense vrees voor de hemeltekenen, vss. 1, 2. Beschrijft wijdlopig en bespot de ijdelheid der afgoden en dwaasheid van den afgodischen beeldendienst, met tegenstelling van Zijn Goddelijke majesteit en macht, mitsgaders den dienst dien Jakob Hem bijzonderlijk schuldig was, 3, enz. Profeteert en beeldt af door weeklagen de verstoring van Jeruzalem en gans Juda door de Babyloniërs, 17. Waarop de profeet, in zijn en der kerke naam, God bidt om matiging dezes oordeels en straf der goddeloze vijanden, 23.

De HEERE en de afgoden
1

HOORT het woord dat de HEERE 1tot ulieden spreekt, o huis Israëls.

2

Zo zegt de HEERE: Leert 2den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de 3tekenen des hemels, 4dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.

3

Want de 5inzettingen der volken zijn ijdelheid; want ahet is 6hout dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.

4

Men 7pronkt het op met zilver en met goud; zij bhechten 8ze met nagelen en met hamers, opdat 9het niet 10waggele.

5

Zij zijn gelijk een 11palmboom van 12dicht werk, maar ckunnen niet spreken; zij 13moeten dgedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen egeen 14kwaad doen, ook zo is er geen goeddoen bij hen.

6

Omdat niemand fU gelijk is, o HEERE, zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in 15mogendheid.

7

gWie zou U niet vrezen, Gij Koning der 16heidenen? Want het 17komt U toe; omdat toch onder alle 18wijzen der heidenen en in hun 19ganse koninkrijk niemand U gelijk is.

8

20In één ding zijn zij toch h21onvernuftig en zot: een 22hout is een onderwijs der ijdelheden.

9

23Uitgerekt zilver wordt van 24Tarsis gebracht, en goud van 25Ufaz, tot een werk van den werkmeester en van de handen van den goudsmid; hemelsblauw en purper is 26hun kleding, een werk der 27wijzen zijn 28zij altezamen.

10

Maar de HEERE God is 29de Waarheid, Hij is de 30levende God en een 31eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.

11

32(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder dezen hemel.)

12

33Die de iaarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld 34bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel kuitgebreid door Zijn verstand;

13

Als Hij Zijn 35stem geeft, zo is er een 36gedruis van wateren in den 37hemel, en Hij doet de ldampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen 38met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn 39schatkameren.

14

m40Een ieder mens is onvernuftig geworden, 41zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het 42gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is 43leugen, en er is geen 44geest in 45hen.

15

IJdelheid zijn zij, 46een werk van verleidingen; ten tijde 47hunner bezoeking zullen zij vergaan.

16

nJakobs 48Deel is niet gelijk 49die; 50want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is ode 51roede Zijner erfenis; HEERE der 52heirscharen is Zijn Naam.

De komende verwoesting
17

53Raap uw 54kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting.

18

Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal 55wegslingeren, en zal hen pbenauwen, opdat zij het 56vinden.

19

57O wee mij over mijn 58breuk, mijn plaag is smartelijk; en ik 59had gezegd: 60Dit is immers een krankheid die ik wel dragen zal.

20

Mijn tent is verstoord en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn 61kinderen zijn van mij uitgegaan en zij zijn er niet; er is niemand meer die mijn tent uitspant en mijn gordijnen opricht.

21

Want de 62herders zijn 63onvernuftig geworden en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet 64verstandiglijk gehandeld en hun ganse 65weide is verstrooid.

22

Zie, er komt een stem des geruchts en een groot beven uit het land van het qnoorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der rdraken.

23

Ik weet, o HEERE, sdat bij den mens zijn 66weg niet is; het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn 67gang richte.

24

t68Kastijd mij, HEERE, doch vmet 69mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet 70tenietmaakt.

25

x71Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U 72niet kennen, en over de geslachten die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob yopgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem zverteerd, en zijn woning verwoest.