DE KLAAGLIEDERENVAN JEREMÍA

HOOFDSTUK 4.

Verdere klacht over den erbarmelijken staat van het Joodse volk, vs. 1, enz. Met belijdenis dat het de schuld van hun zonden is, 6. Ellenden den voornaamsten overkomen, 7. De vrouwen hebben haar kinderen gedood en gekookt, 10. Zonde der valse profeten en priesters, 13. Vergeefse hoop van het volk, 17. De koning van het Joodse volk gevangen, 20. Voorzegging van de wrake Gods over Edom, 21. En vertroosting van het volk Gods, 22.

Zonde en oordeel
1

ALEPH. 1Hoe is 2het goud 3zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn 4de stenen des heiligdoms 5vooraan op alle straten 6verworpen!

2

Beth. 7De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, 8hoe zijn zij nu gelijk gerekend den aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers!

3

Gimel. Zelfs laten de 9zeekalveren de borsten neder, zij zogen haar welpen; maar de dochter mijns volks is 10als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.

4

Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte 11van dorst; de kinderkens eisen 12brood, er is niemand die het hun 13mededeelt.

5

He. Die 14lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; 15die in 16karmozijn opgetrokken zijn, 17die omhelzen den drek.

6

Vau. En de 18ongerechtigheid der dochter mijns volks 19is groter dan de zonde van Sódom, die als 20in een ogenblik omgekeerd werd, en 21geen handen hadden arbeid over haar.

7

Zain. 22Haar 23bijzondersten 24waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, 25gladder dan een saffier.

8

Cheth. Maar nu is 26hun gedaante verduisterd 27van zwartigheid, 28men kent ze niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, 29zij is verdord, zij is geworden als een hout.

9

Teth. De verslagenen van het zwaard, die zijn 30gelukkiger dan 31de verslagenen van den honger; want 32die 33vlieten daarheen als doorstoken zijnde, 34omdat er geen vruchten der velden zijn.

10

Jod. 35De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar 36tot spijze geworden 37in de verbreking der dochter mijns volks.

11

Caph. De HEERE heeft Zijn grimmigheid 38volbracht, Hij heeft de hittigheid Zijns toorns uitgestort; en 39Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, hetwelk haar fundamenten verteerd heeft.

12

Lamed. 40De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners der wereld, dat 41de tegenpartijder en vijand 42tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan.

13

Mem. 43Het is vanwege de zonden harer profeten en de misdaden harer priesters, 44die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben.

14

Nun. 45Zij 46zwierven 47als blinden op de straten, zij waren 48met bloed besmet, zodat men 49niet kon 50zijn, of men raakte hun klederen aan.

15

Samech. 51Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan. 52Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; 53zij zeiden onder de heidenen: 54Zij 55zullen er niet langer wonen.

16

Pe. 56Des HEEREN 57aangezicht heeft hen 58verdeeld, Hij zal hen voortaan 59niet meer aanzien; 60zij hebben het aangezicht der priesters 61niet geëerd, zij hebben 62den ouden geen genade bewezen.

17

Ain. 63Nog bezweken ons onze ogen, 64ziende65naar onze ijdele hulp; awij gaapten met ons gapen 66op een volk dat niet kon verlossen.

18

Tsade. 67Zij 68hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; 69ons einde is genaderd, 70onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen.

19

Koph. 71Onze vervolgers zijn 72sneller geweest dan de arenden 73des hemels; 74zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.

20

Resch. De 75adem onzer neuzen, 76de gezalfde des HEEREN, 77is gevangen in hun groeven; 78van welken wij zeiden: 79Wij zullen onder zijn schaduw leven 80onder de heidenen.

21

Schin. 81Wees vrolijk en verblijd u, 82gij dochter Edoms, die 83in het land 84Uz woont; doch85de beker zal ook tot u komen, 86gij zult dronken worden en 87ontbloot worden.

22

Thau. 88Uw ongerechtigheid 89heeft een einde, o gij dochter Sions; 90Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren. Maar uw ongerechtigheid, 91o gij dochter Edoms, 92zal 93Hij bezoeken; 93Hij zal uw zonden 94ontdekken.