HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 11.

David, vernemende de spotternijen zijner vervolgers, die hun tijdverdrijf maakten van zijn droevig vluchten en zwerven, neemt toevlucht tot God en verklaart zijn geloof van Gods voorzienigheid, Die beiden, vromen en goddelozen, ziet, proeft en richten zal.

Gods voorzienige leiding
1

EEN psalm van David, voor den 1opperzangmeester.
Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt 2gijlieden tot mijn ziel: Zwerft heen naar ulieder gebergte als een 3vogel?

2

4Want zie, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in 5donker te schieten naar de oprechten van hart.

3

Zekerlijk, de 6fundamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?

4

De HEERE is in het 7paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden 8proeven de mensenkinderen.

5

De HEERE 9proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze en dien die geweld liefheeft, haat Zijn 10ziel.

6

Hij zal op de goddelozen regenen 11strikken, 12vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het 13deel huns bekers zijn.

7

Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft 14gerechtigheden lief; Zijn aangezicht 15aanschouwt den 16oprechte.