HET BOEKPREDIKERHET BOEK ECCLESIASTES, OFPREDIKER,IN HET HEBREEUWS GENAAMDKOHELETH

HOOFDSTUK 4.

Salomo verhaalt in dit hoofdstuk hoe de armen door de machtigen dezer wereld onderdrukt worden, vs. 1, enz. Hoe de voortreffelijke lieden benijd worden, 4. Ontaardheid der luiaards, 5. Dat enigen het hart niet hebben hun arbeid te genieten, 6. Roemt boven dezen degenen die zich verenigen met andere lieden, 7. Hoe enigen roemen op hun macht, maar dat wijsheid meer te achten is, 13. De gunst der onderzaten jegens hun overheid is onbestendig, 15.

Het leven is wisselvallig
1

DAARNA wendde ik mij en zag aan al de onderdrukkingen die onder de zon geschieden; en zie, er waren de tranen der verdrukten en 1dergenen die geen trooster hadden; en 2aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster.

2

3Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.

3

Ja, hij is beter dan die beiden, die 4nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk dat onder de zon geschiedt.

4

Verder 5zag ik al den arbeid en alle geschiktheid des werks, 6dat het den mens nijd van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

5

7De azot vouwt zijn handen tezamen en 8eet zijn eigen vlees.

6

9Een handvol met rust is beter dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

7

Ik wendde mij wederom en ik zag een ijdelheid onder de zon:

8

10Daar is er één, en geen tweede; hij heeft ook geen 11kind, noch 12broeder; nochtans is van al zijn arbeid geen einde, 13ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, 14en hij zegt niet: Voor wien arbeid ik toch en 15doe 16mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid en het is een moeilijke bezigheid.

9

17Twee zijn beter dan één, want 18zij hebben een goede beloning van hun arbeid;

10

Want indien 19zij 20vallen, de één richt zijn metgezel op; maar wee den énen die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.

11

Ook indien twee tezamen 21liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou één alleen warm worden?

12

En indien iemand den één mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en 22een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.

13

23Beter is een arm en wijs jongeling dan een oud en zot koning die niet weet van meer vermaand te worden.

14

Want 24een komt 25uit het gevangenhuis om koning te zijn; daar 26ook een die in zijn koninkrijk geboren is, 27verarmt.

15

28Ik zag 29al de levenden 30wandelende onder de zon, met den jongeling, 31den tweede, die 32in diens plaats 33staan zal.

16

34Er is geen einde van al het volk, van allen die 35vóór hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook 36over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

Ernst in den dienst Gods
17

37Bewaar 38uw 39voet als gij ten huize Gods ingaat, en zijt liever nabij 40om te horen, 41dan om der zotten slachtoffer te geven; 42want zij weten niet dat zij kwaad doen.