HET TWEEDE BOEK VANMOZES,GENAAMDÉXODUS

HOOFDSTUK 36.

De stof die van de kinderen Israëls ten hefoffer tot het maken van den tabernakel gebracht was, wordt Bezaleël en Aholiab overhandigd, vs. 1, enz. Het volk wordt verboden meer te brengen, 5. De werkmeesters maken alles wat tot den tabernakel behoort, als gordijnen met cherubs, 8. De gordijnen van geitenhaar, 14. De deksels van ramsvellen en dassenvellen, 19. De berderen, hun houvasten, en de richels, den voorhang, 20, enz.

De bouw van den tabernakel
1

TOEN wrocht Bezáleël en Ahóliab, en alle man die wijs van hart was, in dewelke de HEERE wijsheid en verstand gegeven had, om te weten hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms, naar alles wat de HEERE geboden had.

2

Want Mozes had geroepen Bezáleël en Ahóliab, en allen man die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had dat hij toetrad tot het werk om dat te maken.

3

Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het ganse 1hefoffer, hetwelk de kinderen Israëls gebracht hadden tot het werk van den dienst des heiligdoms, om dat te maken; doch zij brachten tot hem nog 2allen morgen vrijwillig offer.

4

Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des heiligdoms maakten, 3ieder man van zijn werk hetwelk zij maakten;

5

En zij spraken tot Mozes, zeggende: 4Het volk brengt te veel; meer dan genoeg is ten dienste des werks hetwelk de HEERE te maken geboden heeft.

6

Toen gebood Mozes dat men 5een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw 6make enig werk meer ten hefoffer des heiligdoms. Alzo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.

7

Want 7der stof was 8denzelven genoeg tot het gehele werk dat te maken was, ja, er was overig.

8

Alzo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen die het werk maakten, den 9tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen en hemelsblauw en purper en scharlaken met cherubs; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze.

9

aDe lengte ener gordijn was van acht en twintig ellen en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen hadden 10één maat.

10

En hij voegde vijf gordijnen, de ene aan de andere, en hij voegde andere vijf gordijnen, de ene aan de andere.

11

bDaarna maakte hij striklisjes van hemelsblauw aan den kant ener gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan den uitersten kant der tweede samenvoegende gordijn.

12

cVijftig striklisjes maakte hij aan de ene gordijn en vijftig striklisjes maakte hij aan het uiterste der gordijn dat aan de tweede samenvoegende was; ddeze striklisjes vatten de ene aan de andere.

13

eHij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen tezamen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het één tabernakel werd.

14

Verder maakte hij gordijnen van geitenhaar tot 11een tent over den tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.

15

De lengte ener gordijn was dertig ellen en vier ellen de breedte ener gordijn; deze elf gordijnen hadden één maat.

16

En hij voegde vijf gordijnen tezamen bijzonder, wederom zes dezer gordijnen bijzonder.

17

En hij maakte vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn der andere samenvoeging.

18

fHij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent tezamen te voegen, dat zij één ware.

19

gOok maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.

20

hHij maakte ook aan den tabernakel berderen van staand sittimhout.

21

iDe lengte van een berd was tien ellen, en een el en een halve el was de breedte van elk berd.

22

kTwee 12houvasten had een berd, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo maakte hij het met al de berderen des tabernakels.

23

lHij maakte ook de berderen tot den tabernakel; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.

24

mEn hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd aan zijn twee houvasten.

25

nHij maakte ook twintig berderen aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek,

26

oMet hun veertig zilveren voeten: twee voeten onder een berd en twee voeten onder een ander berd.

27

pDoch aan de zijden des tabernakels tegen het westen maakte hij zes berderen.

28

qOok maakte hij twee berderen tot hoekberderen des tabernakels aan de beide zijden.

29

rEn zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met één ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.

30

sAlzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: 13twee voeten onder elk berd.

31

tHij maakte ook richels van sittimhout: vijf aan de berderen der ene zijde des tabernakels,

32

En vvijf richels aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richels aan de berderen des tabernakels aan de beide zijden westwaarts.

33

xEn hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der berderen, van het ene einde tot het andere einde.

34

yEn hij overtrok de berderen met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de richels) maakte hij van goud; de richels overtrok hij ook met goud.

35

Daarna zmaakte hij 14een voorhang van hemelsblauw en purper en scharlaken en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij denzelven met cherubs.

36

aEn hij maakte daartoe vier pilaren van sittimhout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot voor dezelve vier zilveren voeten.

37

bHij maakte ook aan de deur der tent 15een deksel van hemelsblauw en purper en scharlaken en fijn getweernd linnen, geborduurd werk,

38

cEn de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en hun banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.