HET VIJFDE BOEK VANMOZES,GENAAMDDEUTERONOMIUM

HOOFDSTUK 32.

Het Goddelijk lied, waarin zeer heerlijk geroemd worden, zo God Zelven als Zijn overgrote weldaden aan Israël, vs. 1 tot 5 en vs. 7 tot 15. Daarentegen zeer heftiglijk gescholden hun gruwelijke ondankbaarheid, 5, 6, 15, enz. Gods toorn en toekomstige straffen voorgesteld, 19. Zonder nochtans de afgodische gruwelen van de vijanden van Zijn volk te verschonen, 31. Waarop dan God Zijn volk wederom troost, belovende dat Hij Zich aan Zijn en hun afgodische vijanden wreken, Zijn kerk met Zich verzoenen, verheugen en ook onder de heidenen uitbreiden zal, 36. Mozes dit lied uitgesproken hebbende, vermaant hen wederom tot betrachting van Gods Woord tot hun best, 44. En ontvangt ten zelven dage bevel van het land Kanaän op een berg te zien en aldaar te sterven, 48.

1

NEIG de oren, 1gij hemel, en ik zal spreken; en 2de aarde hore de redenen mijns monds.

2

Mijn leer 3druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als 4droppelen op het kruid.

3

Want ik zal den Naam des HEEREN 5uitroepen; 6geeft onzen God grootheid.

4

Hij is de 7Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al 8Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.

5

9Hij heeft het tegen 10Hem verdorven; het zijn 11Zijn kinderen niet; de schandvlek is hunne; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.

6

Zult gij dit den HEERE vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader, Die u 12verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?

7

Gedenk aan de dagen 13vanouds, merk op de jaren 14van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekendmaken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.

8

Toen de Allerhoogste den volken de erfenissen uitdeelde, toen Hij 15Adams kinderen vaneenscheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld 16naar het getal der kinderen Israëls.

9

Want 17des HEEREN deel is Zijn volk, 18Jakob is het snoer Zijner erve.

10

Hij vond hem in een land der woestijn, en 19in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als 20Zijn oogappel.

11

Gelijk een arend 21zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, 22ze neemt en ze draagt op zijn vlerken,

12

Zo leidde 23hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.

13

Hij deed hem rijden op de 24hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem 25honing zuigen uit de steenrots, en olie uit den 26kei der rots;

14

Boter van koeien, en melk van kleinvee, met het vette der lammeren, en der rammen, die 27in Basan weiden, en der bokken, met het vette der 28nieren van tarwe; en het druivenbloed, 29reinen wijn, hebt gij gedronken.

15

Als nu 30Jeschurun vet werd, zo 31sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden); en hij liet God varen, 32Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.

16

Zij hebben Hem tot 33ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.

17

Zij hebben den 34duivelen geofferd, niet Gode; den goden die zij niet kenden; nieuwe, die 35van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.

18

Den Rotssteen Die u 36gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God Die u gebaard heeft.

19

Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit 37toornigheid tegen Zijn zonen en Zijn dochteren.

20

En Hij zeide: Ik zal Mijn 38aangezicht van hen verbergen, Ik zal zien welk hunlieder 39einde zal wezen; want zij zijn een 40gans verkeerd geslacht, kinderen in welke geen 41trouw is.

21

aZij hebben Mij tot ijver verwekt 42door hetgeen dat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen die 43geen volk zijn, door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.

22

Want been 44vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen 45tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren en de gronden der bergen 46in vlam zetten.

23

Ik zal 47kwaden over hen hopen; Mijn 48pijlen zal Ik op hen verschieten.

24

Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den 49karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des 50stofs.

25

Van buiten zal het zwaard 51beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jongedochter, het zuigende kind met den 52grijzen man.

26

Ik zeide: In alle hoeken zou Ik hen 53verstrooien; Ik zou hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;

27

Tenware dat Ik de 54toornigheid des vijands 55schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich 56vreemd mochten houden, dat zij niet mochten zeggen: 57Onze hand is hoog geweest, de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.

28

Want 58zij zijn een volk dat door 59raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.

29

O, dat zij wijs waren! Zij 60zouden dit vernemen, zij zouden op hun 61einde merken.

30

Hoe zou een 62enige 63duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, tenware dat hunlieder 64Rotssteen hen verkocht en de HEERE hen 65overgeleverd had.

31

Want 66hun 67rotssteen is niet gelijk onze 68Rotssteen, 69zelfs onze vijanden rechters zijnde.

32

Want hun wijnstok is 70uit den wijnstok van Sódom en uit de velden van Gomórra; hun wijndruiven zijn 71vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere beziën.

33

Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed addervergift.

34

72Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?

35

cMijne is de wrake en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen 73die hun zullen gebeuren, haasten.

36

Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten 74berouwen; want Hij zal zien dat de 75hand is weggegaan, en de 76beslotene en verlatene niets is.

37

Dan zal Hij zeggen: Waar zijn 77hun goden; de rotssteen op welken zij betrouwden?

38

78Welker slachtoffers vet zij aten, welker drankoffers wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er 79verberging voor u zij.

39

Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en dgeen God met Mij; Ik edood en maak levend, Ik 80versla en Ik heel; en er is niemand die uit Mijn hand redt.

40

Want 81Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: 82Ik leef in eeuwigheid.

41

Indien Ik Mijn 83glinsterend zwaard wette en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren en Mijn haters vergelden.

42

Ik zal Mijn 84pijlen dronken maken van bloed en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des 85gevangenen, 86van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.

43

f87Juicht, gij heidenen met88Zijn volk; want Hij zal het bloed Zijner 89knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en 90verzoenen Zijn land en Zijn volk.

44

En Mozes kwam en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en 91Hoséa, de zoon van Nun.

45

Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot gans Israël te spreken,

46

Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden die ik heden onder ulieden betuig, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.

47

Want dat is geen 92vergeefs woord voor ulieden, maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land waar gij over de Jordaan naartoe gaat om dat te erven.

48

Daarna sprak de HEERE tot Mozes op dienzelven dag, zeggende:

49

gKlim op den berg Abárim (deze is de berg Nebo, die in het land Moabs is, die 93tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik den kinderen Israëls tot een bezitting geven zal.

50

En sterf op dien berg waarheen gij opklimmen zult, en word 94vergaderd tot uw volken, gelijk als uw hbroeder Aäron stierf op den berg Hor en werd tot zijn volken vergaderd;

51

Omdat gijlieden u tegen Mij ivergrepen hebt in het midden der kinderen Israëls, aan het twistwater te Kades in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet 95geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls.

52

Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land dat Ik den kinderen Israëls geven zal.