DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 20.

God dreigt de Egyptenaars en Moren, door een uitwendig teken, dat zij gevankelijk door de Assyriërs zouden weggevoerd worden, vs. 1, enz. Hetwelk de Heere den Joden laat voorhouden, opdat zij hun vertrouwen op dezelve niet zetten zouden, 5.

Val van Egypte en Morenland
1

IN het jaar toen 1Tartan naar 2Asdod kwam, als hem 3Sargon, de koning van Assyrië, gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod en 4het innam;

2

Terzelfder tijd sprak de HEERE 5door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: 6Ga heen en 7ontbind 8den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande 9naakt en 10barrevoets.

3

Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets 11wandelt, 12drie jaar, 13tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland,

4

Alzo zal 14de koning van Assyrië 15voortdrijven 16de gevangenen der Egyptenaars, en 17de Moren die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets en met blote billen, 18den Egyptenaars tot schaamte.

5

En 19zij zullen verschrikken en beschaamd zijn 20van de Moren, 21op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, 22hun roem.

6

En de inwoners 23van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Zie, alzo is het gegaan dien 24op welken wij zagen, werwaarts wij heen vloden om hulp, om gered te worden 25van het aangezicht des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen?