DE PROFEETNAHUM

HOOFDSTUK 2.

Bredere voorzegging van den ondergang der Ninevieten door de Babyloniërs vanwege hun tirannie tegen het volk Gods en andere natiën.

Profetie van Ninevé's verwoesting
1

DE 1 verstrooier trekt tegen 2uw aangezicht op; 3bewaar de vesting, 4bezichtig den weg, 5sterk de lendenen, versterk de kracht zeer.

2

Want 6de HEERE heeft de hovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hovaardij Israëls; want 7de aledigmakers 8hebben hen lediggemaakt, en zij hebben 9hun wijnranken verdorven.

3

10De schilden 11zijner helden 12zijn rood gemaakt, de 13kloeke mannen zijn 14scharlakenvervig; 15de wagens zijn in het vuur der fakkels, ten dage als hij zich 16bereidt; en de 17spiesen 18worden geschud.

4

19De wagens 20razen door de wijken, zij lopen ginds en weder op de straten; 21hun gedaanten zijn als der fakkels, 22zij lopen door elkander heen als de bliksemen.

5

23Hij zal 24aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij 25zullen struikelen 26in hun tochten; 27zij zullen haasten 28naar hun muur, als 29het beschutsel vaardig zal wezen.

6

30De poorten der rivieren zullen geopend worden, en 31het paleis 32zal versmelten.

7

En 33Huzab 34zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heten 35voortgaan; en haar maagden zullen haar geleiden 36als met een stem der duiven, 37trommelende op haar harten.

8

38Ninevé is wel als een watervijver, 39van de dagen af dat zij geweest is, doch 40zij zullen vluchten. Staat, staat, zal men roepen, maar niemand zal omzien.

9

41Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde des 42voorraads, der heerlijkheid 43van allerlei gewenste vaten.

10

44Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en bhaar hart versmelt, en de knieën 45schudden, en cin al de lendenen is smart, en 46hun aller aangezichten betrekken als 47een pot.

11

48Waar is nu de 49woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand die hen verschrikte;

12

De leeuw die genoeg roofde voor zijn welpen, en 50worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.

13

Zie, 51Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en 52Ik zal 53haar wagens in rook verbranden, en het zwaard zal 54uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal 54uw roof 55uitroeien van de aarde, en de stem 56uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.