DE EERSTE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DETHESSALONICENZEN

HOOFDSTUK 2.

1 Paulus gaat voort in het verklaren van zijn oprechtheid en standvastigheid in het voortplanten van het Evangelie onder hen. 6 Geen menseneer noch voordeel bij hen zoekende, hoewel hij hun als een apostel van Christus wel lastig had kunnen zijn. 10 Stelt hun voor ogen hoe vriendelijk en heiliglijk hij met hen heeft gehandeld om hen te bewegen tot een wandel het Evangelie waardig. 13 En hoe zij zijn woord als Gods en niet als eens mensen woord hebben aangenomen. 14 En navolgers zijn geworden der gemeenten in Judea, die ook van de hardnekkige Joden, hun landslieden, vervolgd zijn. 15 Welke Joden, nadat zij Christus gedood hebben, hun zonden vervullen, en op welke de toorn Gods tot het einde is gekomen. 17 Betuigt daarna zijn grote begeerte om hen weder te zien. 19 Dewijl zij zijn roem en heerlijkheid zijn in de toekomst van Christus.

Paulus' prediking
1

WANT a gij weet zelven, broeders, onzen 1ingang tot u, dat die niet 2ijdel is geweest;

2

Maar hoewel wij tevoren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, b3te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt 4in onzen God, om het Evangelie Gods ctot u te spreken 5in veel strijd.

3

Want 6onze vermaning is niet geweest 7uit verleiding, noch 8uit onreinheid, 9noch met bedrog;

4

Maar gelijk wij van God 10beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou 11toebetrouwd worden, alzo spreken wij, dniet als mensen behagende, maar Gode, Die onze 12harten beproeft.

5

Want wij hebben nooit met 13pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met enig14bedeksel van gierigheid (eGod is Getuige),

6

Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; fhoewel wij u15tot last konden zijn als apostelen van Christus;

7

Maar wij zijn 16vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;

8

Alzo wij, 17tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededelen niet alleen het Evangelie Gods, maar ook 18onze eigen zielen, daarom dat gij ons 19lief geworden waart.

9

gWant gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag 20werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie Gods onder u gepredikt.

10

Gij zijt getuigen, en God, hoe heiliglijk en rechtvaardiglijk en onberispelijk wij u, die gelooft, 21geweest zijn.

11

Gelijk gij weet hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,

12

En betuigden hdat gij zoudt wandelen 22waardiglijk Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

13

Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het woord 23der prediking Gods van ons 24ontvangen hebt, gij het 25aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, 26dat ook werkt in u, die gelooft.

14

Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn 27in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw 28ieigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;

15

kWelke ook 29gedood hebben den Heere Jezus len hun 30eigen profeten, en ons hebben 31vervolgd, en Gode niet behagen, en 32allen mensen tegen zijn,

16

mEn verhinderen ons 33te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij 34allen tijd hun zonden 35vervullen zouden. En 36de toorn is over hen gekomen 37tot het einde.

Goede tijding door Timótheüs
17

Maar wij, broeders, 38van u 39beroofd geweest zijnde 40voor een kleine wijle tijds, 41naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht 42te zien, 43met grote begeerte.

18

nDaarom hebben wij tot u willen komen (immers ik, Paulus) 44eenmaal en andermaal, maar de satan 45heeft ons belet.

19

oWant welke is 46onze hoop of blijdschap of 47kroon des roems? 48Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst?

20

Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.