HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 29.

David vermaant de machtigen dezer wereld om den waren God met Zijn kerk te eren en te dienen, Die Zijn majesteit en macht betoont door donder, bliksem en watervloeden; waarvan Hij Zijn behoorlijke eer alleenlijk ontvangt in Zijn kerk, die Hij ook zegent en behoudt.

Gods majesteit in het onweder
1

EEN psalm van David.
Geeft den HEERE, gij 1kinderen der machtigen, ageeft den HEERE eer en sterkte.

2

Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; 2aanbidt den HEERE in de 3heerlijkheid des heiligdoms.

3

De 4stem des HEEREN is op de 5wateren, bde God 6der ere dondert; de HEERE is op de 7grote wateren.

4

De stem des HEEREN is met kracht; de stem des HEEREN is met heerlijkheid.

5

De stem des HEEREN breekt de ceders; ja, de HEERE verbreekt de ceders van 8Libanon.

6

En Hij doet ze huppelen als een kalf, den Libanon en 9Sirjon als een 10jongen eenhoorn.

7

De stem des HEEREN 11houwt er 12vlammen vuurs uit.

8

De stem des HEEREN doet de woestijn 13beven; de HEERE doet de woestijn 14Kades beven.

9

De stem des HEEREN doet de 15hinden jongen werpen en 16ontbloot de wouden; maar in Zijn 17tempel zegt 18Hem een iegelijk ere.

10

De HEERE 19heeft gezeten over den 20watervloed; ja, de HEERE zit, cKoning in eeuwigheid.

11

De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met 21vrede.