HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 46.

De profeet beschrijft het vertrouwen en den zekeren staat der kerk onder de bescherming des Heeren, die Hij aan haar met een wonderbare verlossing bewezen had; vermanende een ieder om dit werk Gods, en andere dergelijke, te betrachten, tot grootmaking Zijns heiligen Naams.

De Toevlucht van Gods Kerk
1

EEN 1lied op 2Alámoth, voor den 3opperzangmeester, onder de 4kinderen van Korach.

2

God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is 5krachtiglijk 6bevonden een Hulp in benauwdheden.

3

Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde 7de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het 8hart van de zeeën.

4

Laat 9haar wateren bruisen, laat ze 10beroerd worden; laat de bergen daveren door 11derzelver verheffing. 12Sela.

5

De 13beekjes der 14rivier zullen verblijden de 15stad Gods, 16het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

6

God is in het midden van 17haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het 18aanbreken van den morgenstond.

7

De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; 19Hij verhief Zijn 20stem, de aarde 21versmolt.

8

De HEERE der 22heirscharen is met ons; de God Jakobs is ons een hoog Vertrek. Sela.

9

Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde 23aanricht;

10

Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der 24aarde, den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, de wagens met vuur verbrandt.

11

25Laat af, en weet dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de 26heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.

12

De HEERE der 27heirscharen is met ons; de God Jakobs is ons een hoog Vertrek. Sela.