DE PROFEETDANIËL

HOOFDSTUK 10.

Daniël zichzelven met vasten en bidden voor God vernederende, ziet een gezicht, vs. 1, enz. Hierdoor zeer verschrikt zijnde, wordt van den engel gesterkt en getroost, 10. En hem wordt te kennen gegeven wat het Joodse volk bejegenen zou in toekomende tijden, 14. Hierover wordt hij wederom zeer verschrikt en ontsteld, 15. Doch van den engel weder versterkt, 19. Die hem te kennen geeft hoe de vorst van Griekenland, Alexander de Grote, komen zou, 20.

Profetie betreffende Daniëls volk en de volken
1

IN 1 het derde jaar van 2Kores, den koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd 3Béltsazar, 4een zaak geopenbaard; en die zaak is de waarheid, 5doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak en hij had verstand 6van het gezicht.

2

In die dagen 7was ik, Daniël, treurende 8drie weken der dagen.

3

9Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees noch wijn kwam in mijn mond; ook 10zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.

4

En 11op den vier en twintigsten dag 12der eerste maand, zo was ik 13aan den oever der grote rivier, welke is a14Hiddékel.

5

En ik hief mijn ogen op en zag, en zie, er was 15een Man 16met linnen bekleed, en Zijn lendenen waren bomgord met fijn goud van 17Ufaz.

6

En Zijn lichaam was gelijk 18een turkoois, en Zijn aangezicht 19gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen 20gelijk vurige fakkels, en Zijn 21armen en Zijn 21voeten 22gelijk de verve van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk 23de stem ener menigte.

7

En ik, Daniël, 24alleen zag dat gezicht, maar de mannen die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; doch 25een grote verschrikking viel op hen en zij vloden om zich te versteken.

8

Ik dan werd alleen overgelaten en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht over; en c26mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.

9

En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, 27zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

10

En zie, 28een hand roerde mij aan, en maakte dat ik mij bewoog 29op mijn knieën en de palmen mijner handen.

11

En hij zeide tot mij: Daniël, 30gij zeer gewenste man, merk op de woorden die ik tot u spreken zal, en 31sta op uw standplaats, want ik ben alsnu tot u gezonden. En toen hij dat woord tot mij 32sprak, stond ik bevende.

12

Toen zeide hij tot mij: Vrees niet, Daniël, want van den eersten dag aan dat gij uw hart begaaft 33om te verstaan en om uzelven 34te verootmoedigen voor het aangezicht uws Gods, 35zijn uw woorden gehoord, en 36om uwer woorden wil ben ik gekomen.

13

Doch 37de vorst des koninkrijks van Perzië 38stond tegenover mij 39een en twintig dagen; en zie, 40Michaël, een van de eerste vorsten, kwam om mij te helpen, en ik werd aldaar gelaten, bij de koningen van Perzië.

14

Nu ben ik gekomen om u te doen verstaan hetgeen dat 41uw volk bejegenen zal 42in het vervolg der dagen, 43want het gezicht is nog voor vele dagen.

15

En toen hij 44deze woorden met mij sprak, 45sloeg ik mijn aangezicht ter aarde en 46ik werd stom.

16

En zie, Een, 47den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan; toen deed ik mijn mond open en ik sprak en zeide tot Dien 48Die tegenover mij stond: Mijn Heere, om des gezichts wil 49keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoud.

17

En hoe kan de knecht van 50dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want 51wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen 52adem is in mij overgebleven.

18

Toen raakte 53mij wederom aan 54Een, als in de gedaante van een mens, en Hij versterkte mij.

19

En Hij zeide: Vrees niet, 55gij zeer gewenste man, vrede zij u, 56wees sterk, ja, wees sterk. En terwijl Hij met mij sprak, 57werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.

De toekomst voor Daniël ontsloten
20

Toen zeide hij: 58Weet gij waarom dat ik tot u gekomen ben? Doch nu zal ik wederkeren 59om te strijden tegen 60den vorst der Perzen; en als ik zal 61uitgegaan zijn, zie, zo zal 62de vorst van Griekenland komen.

21

Doch ik zal u te kennen geven 63hetgeen dat getekend is in het geschrift der waarheid; en er is 64niet één 65die zich met mij versterkt 66tegen dezen, dan uw vorst 67Michaël.