DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 55.

Christus nodigt alle verslagenen van hart tot de genieting Zijner weldaden, vs. 1. God de Vader betuigt waartoe Hij Christus gezonden heeft, 4. Namelijk om de heidenen te roepen, 5. Wat het ambt aller bekeerden is, 6. God belooft dat Hij denzelven Zijn genade en zegen rijkelijk geven wil, 10. Tot verheuging aller creaturen, 12.

Nodiging tot het heil
1

O 1a2alle gij dorstigen, komt 3tot de wateren, en gij 4die geen geld hebt, komt, koopt en 5eet, ja, 6komt, koopt zonder geld en zonder prijs, 7wijn en melk.

2

8Waarom weegt gijlieden geld uit 9voor hetgeen dat geen brood is, en 10uw arbeid 11voor hetgeen dat niet verzadigen kan? 12Hoort aandachtiglijk naar Mij en 13eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.

3

14Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en 15uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond 16maken 17enbu geven de gewisse weldadigheden 18Davids.

4

Zie, 19Ik heb 20Hem 21tot een Getuige der volken gegeven, een Vorst en 22Gebieder der volken.

5

Zie, 23Gij zult een volk roepen 24dat Gij niet kendet, en 25het volk dat U niet kende, 26zal tot U lopen, om des HEEREN Uws Gods wil en 27om des Heiligen Israëls wil, 28want Hij heeft U verheerlijkt.

6

Zoekt den HEERE 29terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is.

7

De goddeloze verlate zijn weg, en de 30ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij 31vergeeft menigvuldiglijk.

8

32Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.

9

Want 33gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

10

Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt dat 34zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter;

11

Alzo zal 35Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal 36niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt, en het zal 37voorspoedig zijn 38in hetgeen waartoe Ik het zend.

12

Want in blijdschap zult gijlieden 39uittrekken en met vrede voortgeleid worden; 40de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en calle bomen des velds zullen de handen samenklappen.

13

41Voor een doorn zal een dennenboom opgaan, voor een distel zal een mirtenboom opgaan; en 42het zal den HEERE wezen tot een naam, tot 43een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.