DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 33.

Wordt voorzegd de verstoring van Sanherib en van zijn leger, vss. 1, 3, 4. Een gebed der godzaligen, 2. Vreugd in Sion over de nederlaag der Assyriërs, 5. Ellendige stand van Jeruzalem eer God Sanherib sloeg, 7, 8, 9. De Heere staat op tot hulp Zijns volks, 10. En bespot de Assyriërs, 11. En verwekt elkeen tot verwondering over hun verdelging, 13. Lerende wat men doen zal om Gods zegen te verkrijgen, 15. Verdere belofte van victorie en vrede, 17, enz. Inzonderheid ten tijde van den Messias, 20. Bespottende aanspraak van God aan de Assyriërs, 23. En troostrede aan de godzaligen, 24.

God staat op ter verlossing
1

WEE u, 1gij verwoester, die niet verwoest zijt, en gij die trouwelooslijk handelt, daar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft. 2Als gij het verwoesten zult volbracht hebben, 3zult gij verwoest worden; als gij het trouwelooslijk handelen zult voleind hebben, 4zal men trouwelooslijk tegen u handelen.

2

HEERE, wees 5ons genadig, 6wij hebben op U gewacht; wees 7hun Arm 8allen morgen, daartoe onze Behoudenis ten tijde der benauwdheid.

3

9Van het geluid des rumoers zullen 10de volken wegvlieden; 11van Uw verhoging zullen de heidenen verstrooid worden.

4

12Dan zal 13ulieder buit verzameld worden, 14gelijk de kevers verzameld worden; men zal 15daarin ginds en weder huppelen, gelijk de sprinkhanen ginds en weder huppelen.

5

De HEERE is verheven, want Hij woont 16in de hoogte; 17Hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid.

6

En het zal geschieden dat 18de vastigheid 19uwer tijden, 20de sterkte van uw behoudenissen, 21zal zijn wijsheid en kennis; de vreze des HEEREN 21zal 22zijn schat zijn.

7

Zie, 23hun 24allersterksten roepen 25daarbuiten; 26de boden des vredes wenen bitterlijk.

8

27De gebaande wegen 28zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; 29hij vernietigt 30het verbond, hij veracht 31de steden, hij acht geen mens.

9

32Het land treurt, het kweelt; 33de Libanon 34schaamt zich, 35hij verwelkt; 36Saron is geworden als een woestijn; zo 37Basan als 38Karmel 39zijn geschud.

10

Nu zal Ik 40opstaan, zegt de HEERE, nu zal Ik 41verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden.

11

42Gijlieden gaat met stro zwanger, 43gij zult stoppelen baren; 44uw geest zal u als vuur verslinden.

12

En 45de volken zullen zijn als de verbrandingen des kalks; als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden.

13

46Hoort gijlieden die verre zijt, 47wat Ik gedaan heb; en gijlieden die nabij zijt, 48bekent Mijn macht.

14

49De zondaren 50te Sion 51zijn verschrikt, beving heeft de huichelaars aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die 52bij een verterend Vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen Gloed wonen kan?

15

53aDie in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die 54het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt dat zij 55geen geschenken behouden; die zijn oor stopt 56dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit dat hij het kwade 57niet aanzie;

16

Die zal 58in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; 59zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren 60zijn gewis.

17

61Uw ogen zullen 62den koning 63zien in zijn schoonheid; 64zij zullen een vergelegen land zien.

18

65Uw hart 66zal de verschrikking overdenken, zeggende: 67Waar 68is de schrijver? Waar is 69de betaalheer? Waar is hij 70die de torens telt?

19

Gij zult 71niet meer72dat stuurse volk zien, het volk dat zo diep 73van spraak is, dat men het niet 74horen kan, van 75belachelijke tong, hetwelk men niet verstaan kan.

20

76Schouw Sion aan, 77de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, 78been tent die niet ternedergeworpen zal worden, welker pinnen 79in der eeuwigheid niet 80zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen zullen verscheurd worden.

21

Maar de HEERE zal aldaar bij ons 81heerlijk zijn, 82het zal zijn een plaats van rivieren, van 83wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren en geen treffelijk 84schip 85zal daar overvaren.

22

Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning, Hij zal ons 86behouden.

23

87Uw touwen 88zijn slap geworden, 89zij zullen hun mastboom niet kunnen 90recht stijf houden, 91zij zullen het zeil niet uitspannen; 92dan 93zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, 94zelfs zullen de lammen den roof roven.

24

En 95geen inwoner zal zeggen: Ik ben 96ziek; want het volk dat daarin woont, 97zal vergeving van ongerechtigheid hebben.