DE PROFEETJOËL

HOOFDSTUK 2.

De profeet stelt Sion voor ogen de schrikkelijkheid van Gods oordeel, vs. 1, enz. Vermaant tot hartelijke vernedering en bekering, 12. Beveelt te vasten en te bidden, 15. Belooft daarop Gods zegen en wegneming der plaag, 18. Profeteert wijders van tegenwoordige en toekomstige zegeningen, en den zaligen staat der kerk door de komst van den Messias en uitzending van den Heiligen Geest, 21. Met voorzegging van vreselijke beroerten in de wereld vóór de laatste toekomst van Christus, en van de behoudenis der kerk, 30.

De dag des HEEREN is nabij
1

BLAAST 1 de bazuin te Sion, en 2roept luide op den berg 3Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands 4beroerd zijn; want ade 5dag des HEEREN komt, want hij is nabij;

2

Een dag van 6duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de 7dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig 8volk, desgelijks 9vanouds niet geweest is, en na 10hetzelve 11niet meer zal zijn tot in jaren van 12vele geslachten.

3

Voor hetzelve verteert een 13vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is 14voor hetzelve als een 15lusthof, maar achter hetzelve een 16woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen 17van hetzelve.

4

Deszelfs 18gedaante is als de gedaante van paarden; en als ruiters zo zullen zij lopen.

5

Zij zullen daarheen springen als een gedruis van 19wagens, op de 20hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen 21verteert; als een machtig volk, dat in 22slagorde gesteld is.

6

Van deszelfs aangezicht zullen de volken 23in pijn zijn; alle aangezichten zullen 24betrekken als een pot.

7

Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de 25muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, een iegelijk in zijn 26wegen, en zullen hun paden niet 27verdraaien.

8

Ook zullen zij 28de een den ander niet dringen; zij zullen daarheen trekken 29elk in zijn baan; en al vielen zij op een 30geweer, zij zouden niet verwond worden.

9

Zij zullen in de stad 31omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensters inkomen als een dief.

10

32De baarde is beroerd voor 33deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden 34zwart, en de sterren 35trekken haar glans in.

11

En de HEERE verheft Zijn 36stem voor Zijn heir heen; want Zijn leger is zeer groot, want 37Hij is machtig, doende Zijn 38woord; want cde 39dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?

Oproep tot bekering
12

Nu dan ook, spreekt de HEERE, dbekeert u 40tot Mij met uw ganse hart, 41en dat met vasten en met geween en met rouwklage.

13

En 42scheurt uw hart en 43niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE uw God; want Hij is egenadig en barmhartig, 44lankmoedig en 45groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het 46kwade.

14

f47Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een 48zegen achter 49Zich overlaten tot50spijsoffer en drankoffer voor den HEERE uw God.

15

51Blaast de bazuin te Sion; g52heiligt een vasten, roept een 53verbodsdag uit.

16

Verzamelt het volk, 54heiligt de gemeente, vergadert de 55oudsten, verzamelt de 56kinderkens en die de borsten zuigen; de 57bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar 58slaapkamer.

17

Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het 59voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE, en 60geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden 61heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: hWaar is hunlieder God?

Gods zegen beloofd
18

Zo 62zal de HEERE 63ijveren over 64Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.

19

En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Zie, Ik 65zend ulieden het koren en den most en de olie, dat gij 66daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u 67niet meer overgeven tot een 68smaadheid onder de heidenen.

20

En Ik zal 69dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een 70dor en woest land, zijn 71aangezicht naar de 72oostzee en zijn 73einde naar de 74achterste zee; en 75zijn stank zal opgaan en zijn 76vuiligheid zal opgaan; want 77hij heeft grote dingen gedaan.

21

Vrees niet, 78o land; verheug u en zijt blijde, want de HEERE 79heeft grote dingen gedaan.

22

Vreest niet, gij 80beesten des velds; want de weiden der woestijn 81zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de 82wijnstok en vijgenboom zullen hun vermogen geven.

De komst van den Messías beloofd
23

En gij, kinderen van Sion, verheugt u en zijt blijde in den HEERE uw God; want Hij 83zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen, en den spaden regen in de 84eerste maand.

24

En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.

25

Alzo zal Ik ulieden de 85jaren 86vergelden die de isprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft afgegeten, 87Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.

26

En gij zult 88overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN uws Gods, 89Die 90wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk 91zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.

27

En gij zult 92weten dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de HEERE 93uw God ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.

De uitstorting van den Heiligen Geest beloofd
28

En 94daarna zal het geschieden dat Ik Mijn k95Geest zal 96uitgieten over 97alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen 98profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien.

29

Ja, ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.

30

En Ik zal 99wondertekenen geven 100in den hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookpilaren.

31

lDe zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.

32

En het zal 1geschieden, 2al mwie den 3Naam des HEEREN zal aanroepen, zal 4behouden worden; want op den nberg 5Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE 6gezegd heeft; 7en dat bij de 8overgeblevenen, die de HEERE zal 9roepen.