HET BOEKESTHER

HOOFDSTUK 2.

Ahasveros gedenkt aan Vasthi, vs. 1. Daar worden vele schone jongedochters bijeenverzameld, 2. Opdat de koning uit dezelve een verkieze tot koningin in stede van Vasthi, 4. Mordechai brengt Esther mede onder die jongedochters, 8. Zij vindt gunst bij Hegai, den bewaarder der jongedochters, 9. Hegai geeft haar haar versierselen, 12. Zij wordt tot den koning gebracht, 16. Hij stelt haar de kroon op het hoofd, en maakt haar koningin, 17. En hij maakt haar ter ere een grote bruiloft, 18. Twee kamerlingen zoeken Ahasveros om te brengen, 21. Dit ontdekt Mordechai, 22. Het wordt in de kroniek geschreven, 23.

Esther wordt koningin
1

NA deze geschiedenissen, toen 1de grimmigheid van den koning Ahasvéros gestild was, 2gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had en wat over haar besloten was.

2

Toen zeiden 3de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jongedochters, maagden, 4schoon van aangezicht.

3

En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij 5vergaderen alle jongedochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burcht Susan, tot het huis 6der vrouwen, onder 7de hand van 8Hege, des konings kamerling, bewaarder 6der vrouwen; en men geve haar 9haar versierselen.

4

En de jongedochter die in des konings oog 10schoon wezen zal, worde koningin in plaats van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo.

5

Er was een Joods man op den burcht Susan, wiens naam was Mórdechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, 11een man van Jemini;

6

Die weggevoerd was van Jeruzalem amet de 12weggevoerden die weggevoerd waren met 13Jechónia, den koning van Juda, 14denwelken 15Nebukadnézar, de koning van Babel, had weggevoerd.

7

En hij was het die opvoedde Hadássa (deze is 16Esther, 17de dochter zijns ooms), want zij had geen vader noch moeder. En zij was een jongedochter, schoon van gedaante en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mórdechai haar zich tot een dochter aangenomen.

8

Het geschiedde nu toen het woord des konings en zijn wet ruchtbaar was en toen 18vele jongedochters tezamen vergaderd werden op den burcht Susan onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.

9

En de jongedochter was schoon in zijn ogen en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij 19met haar versierselen en 20met haar delen haar te geven, en zeven 21aanzienlijke jongedochters 22haar te geven uit het huis des konings. En hij 23verplaatste haar en haar jongedochters naar het beste van het huis der vrouwen.

10

Esther had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven; want Mórdechai 24had haar geboden dat zij het niet zou te kennen geven.

11

Mórdechai nu wandelde 25allen dag voor het voorhof van het huis 26der vrouwen, om te vernemen 27naar den welstand van Esther, en 28wat met haar geschieden zou.

12

Als nu 29de beurt 30van elke jongedochter naakte om tot den koning Ahasvéros te komen, 31nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want 32alzo werden vervuld de dagen harer versieringen: zes maanden met mirreolie en zes maanden met specerijen en met andere versierselen der vrouwen;

13

33Daarmede kwam dan de jongedochter tot den koning; 34al wat zij zeide, werd haar gegeven, 35dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen 36tot het huis des konings.

14

Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar 37het tweede huis der vrouwen, onder 38de hand van Sáäsgaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven; zij kwam niet weder tot den koning, tenware de koning lust tot haar had en zij bij name geroepen werd.

15

Als de beurt van Esther, de dochter van Abicháïl, den oom van Mórdechai, (die 39hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, 40begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, 41zeide; en Esther verkreeg 42genade in de ogen van allen die haar zagen.

16

Alzo werd Esther 43genomen tot den koning Ahasvéros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand 44Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.

17

En de koning beminde Esther boven alle 45vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht boven alle maagden; en hij zette 46de koninklijke kroon op haar hoofd en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi.

18

47Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, 48den maaltijd van Esther; en 49hij gaf den landschappen rust en 50hij gaf geschenken 51naar des konings vermogen.

19

Toen 52ten anderen male maagden vergaderd werden, 53zo zat Mórdechai in de poort des konings.

20

Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk als Mórdechai 54haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mórdechai, gelijk als 55toen zij bij hem opgevoed werd.

21

In die dagen, als Mórdechai in de poort des konings zat, werden 56Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings, van de dorpelwachters, 57zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasvéros.

22

En deze zaak werd Mórdechai bekendgemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mórdechais naam.

23

Als men de zaak onderzocht, is het alzo bevonden, en zij beiden werden aan 58een galg gehangen; en het werd 59in de kroniek geschreven 60voor het aangezicht des konings.