DE TWEEDE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DIE VANKORINTHE

HOOFDSTUK 4.

1 De apostel betuigt dat hij het Evangelie van Christus oprechtelijk en duidelijk voorstelt voor de consciënties aller mensen. 3 En zo hetzelve voor iemand bedekt is, dat het is bedekt voor degenen die verloren gaan, en welker zinnen de satan heeft verblind. 5 Dat deze kracht evenwel niet van de dienaars, maar van Christus is, en van God, Die de harten verlicht. 8 Dat ook deze kracht zich wonderlijk in de apostelen van Christus zelven openbaart, in het overwinnen van allerlei verdrukkingen en zwarigheden, die hun dagelijks overkomen. 13 En stelt daarna verscheidene redenen van vertroostingen, met welke zij zichzelven en anderen versterken, genomen van het voorbeeld van David. 14 Van de zalige opstanding. 15 Van de dankbaarheid voor zulke verlossingen. 16 Van de vernieuwing van den inwendigen mens. 17 En eindelijk van de grootte der eeuwige heerlijkheid, die hierop zal volgen.

1

DAAROM, dewijl wij 1deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zo 2vertragen wij niet;

2

Maar wij hebben 3verworpen 4de bedekselen der schande, aniet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven b5aangenaam makende 6bij alle consciënties der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.

3

Doch indien ook ons Evangelie 7bedekt is, zo is het bedekt in degenen cdie verloren gaan;

4

In dewelke 8de god dezer eeuw dde zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet 9bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, eDie 10het Beeld Gods is.

5

Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil.

6

Want God, fDie 11gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene gDie 12in onze harten 13geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods 14in het aangezicht van Jezus Christus.

De schat in aarden vaten
7

Maar wij hebben dezen 15schat hin 16aarden vaten, opdat de uitnemendheid 17der kracht 18zij iGodes en niet uit ons;

8

Als die in alles verdrukt worden, doch niet 19benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;

9

Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;

10

kAltijd 20de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook 21het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.

11

lWant wij die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil, mopdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.

12

Zo dan, 22de dood werkt wel in ons, maar 23het leven in ulieden.

13

Dewijl wij nu 24denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: n25Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom 26spreken wij ook;

14

oWetende dat Hij Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken 27en met ulieden daar zal stellen.

15

Want 28al deze dingen zijn om uwentwil, popdat 29de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.

Voor den aardsen tabernakel een eeuwig huis in de hemelen
16

Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze 30uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans 31de inwendige vernieuwd van dag tot dag.

17

qWant onze 32lichte verdrukking, 33die zeer haast voorbijgaat, 34werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;

18

Dewijl wij niet 35aanmerken de dingen 36die men ziet, maar de dingen 37die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.