HET TWEEDE BOEK VANMOZES,GENAAMDÉXODUS

HOOFDSTUK 25.

De Heere heet Mozes een gewillig hefoffer op te nemen, om een heiligdom te maken, vs. 1, enz. God geeft hem bevel hoe en waarvan hij de ark maken zal, 10. Alsook het verzoendeksel, met de cherubs, 17. De tafel tot de toonbroden en haar ander gereedschap, 23. Den gouden kandelaar, met zijn toebehoren, 31. Alles moest wezen naar het patroon dat Mozes op den berg gezien had, 40.

Het hefoffer voor den tabernakel
1

TOEN sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2

Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij 1voor Mij 2een hefoffer 3nemen; avan allen man wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult 4gijlieden Mijn hefoffer nemen.

3

Dit nu is het hefoffer hetwelk gij van hen 5nemen zult: goud en zilver en koper;

4

Alsook 6hemelsblauw en purper en scharlaken en fijn linnen en 7geitenhaar;

5

En roodgeverfde ramsvellen en 8dassenvellen en 9sittimhout;

6

10Olie tot den luchter, 11specerijen ter zalfolie, en 12tot roking welriekende specerijen;

7

bSardonyxstenen en 13vervullende stenen, tot den 14efod en tot den 15borstlap.

8

En zij zullen Mij 16een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.

9

Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden die maken.

De ark
10

Zo zullen 17zij een ark cvan sittimhout maken: twee 18ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte en anderhalve el haar hoogte.

11

En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult op dezelve een gouden 19krans maken rondom heen.

12

En giet voor 20haar vier gouden ringen en 21zet die aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde derzelve zijn en twee ringen op haar andere zijde.

13

En maak 22handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud.

14

En 23steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, 24dat men de ark daarmede drage.

15

dDe draagbomen zullen in de ringen der ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden.

16

Daarna ezult gij in de ark leggen 25de getuigenis die Ik u geven zal.

17

fGij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal zijn lengte zijn, en anderhalve el zijn breedte.

18

gGij zult ook twee cherubs van goud maken; van dicht goud zult gij ze maken, 26uit de beide einden des verzoendeksels.

19

En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubs maken, uit deszelfs beide einden.

20

En de cherubs zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, hbedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover 27elkander zijn; de aangezichten der cherubs zullen naar het verzoendeksel zijn.

21

En igij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, 28nadat gij in de ark 29de getuigenis die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.

22

En kaldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubs (die op de ark der getuigenis zijn zullen), alles wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls.

De tafel der toonbroden
23

Gij zult ook 30een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.

24

En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.

25

Gij zult ook een lijst rondom 31daaraan maken, een handbreed; en gij zult een gouden krans rondom derzelver lijst maken.

26

Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten zijn zullen.

27

Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, 32tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.

28

Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult ze met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.

29

Gij zult ook maken 33haar 34schotels en haar 35rookschalen en haar 36platelen en haar 37kroezen (met dewelke 38zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken.

30

En gij zult op deze tafel altijd 39het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.

De gouden kandelaar
31

lGij zult ook een kandelaar van louter goud maken. 40Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn 41rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen en zijn bloemen 42zullen uit hem zijn.

32

En zes rieten zullen uit zijn zijden uitgaan: drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.

33

In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn 43gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes gelijk amandelnoten 44in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo zullen die zes rieten zijn, die uit den kandelaar gaan.

34

Maar 45aan den kandelaar zelven zullen vier schaaltjes zijn gelijk amandelnoten, met zijn knopen en met zijn bloemen.

35

En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit denzelven 46uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit 47denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo zal het zijn met de zes rieten, die uit den kandelaar uitgaan.

36

Hun knopen en hun rieten zullen uit hem zijn; het zal altemaal een enig dicht werk van louter goud zijn.

37

48Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen 49aansteken en doen lichten 50aan zijn zijden.

38

Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.

39

Uit 51een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.

40

52mZie dan toe dat gij het maakt naar hun 53voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.