HET VIERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDNUMERI

HOOFDSTUK 32.

De stammen van Ruben en Gad verzoeken, om redenen, van Mozes, hun erfdeel te mogen hebben aan deze zijde van de Jordaan, vs. 1, enz. Mozes bestraft hen eerst scherpelijk, 6. Maar als zij beloven voor hun broederen gewapend heen te trekken in Kanaän, totdat het land ondergebracht zij, verkrijgen zij, nevens den halven stam van Manasse, hun verzoek, op de gemelde conditie, 16.

Ruben en Gad krijgen hun erfdeel
1

DE kinderen van Ruben nu hadden veel vee en de kinderen van Gad hadden daarvan 1machtig veel; en zij bezagen het land Jáëzer en het land Gilead, en zie, deze plaats was een plaats 2voor vee.

2

Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes en tot Eleázar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:

3

Atarôth en Dibon en Jáëzer en Nimra en Hesbon en Eleále, en Schebam en Nebo en Behon,

4

Dit land, 3hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israël geslagen heeft, dat is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.

5

Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; doe ons niet trekken over de Jordaan.

6

Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: 4Zullen uw broeders ten strijde gaan en gijlieden zult hier blijven?

7

Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israëls 5breken, dat zij niet overtrekken naar het land dat de HEERE hun gegeven heeft?

8

Zo deden uw vaders, als ik hen van aKades-Barnéa zond om het land te bezien.

9

Als zij opgekomen waren tot aan het 6dal Eskol en het land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israëls, dat zij niet gingen naar het land dat de HEERE hun gegeven had.

10

Toen ontstak de toorn des HEEREN ten zelven dage, en Hij zwoer, zeggende:

11

bIndien deze mannen die uit Egypte opgetogen zijn, 7van twintig jaar oud en daarboven, het land zullen zien dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb 8! Want zij hebben niet 9volhard Mij na te volgen,

12

Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de 10Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben 11volhard den HEERE na te volgen.

13

Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israël en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, 12veertig jaar, totdat verteerd was het ganse geslacht hetwelk gedaan had wat 13kwaad was in de ogen des HEEREN.

14

En zie, gijlieden zijt opgestaan in plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, 14om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israël te vermeerderen.

15

Wanneer gij van achter 15Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren 16hem te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.

16

Toen traden 17zij toe tot hem en zeiden: Wij zullen hier 18schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderkens.

17

Maar wij zelven zullen ons 19toerusten, 20haastende voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderkens zullen blijven in de vaste steden, 21vanwege de inwoners des lands.

18

Wij zullen niet 22wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israëls tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.

19

Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de Jordaan en 23verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen den 24opgang.

20

Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult 25toerusten ten strijde,

21

En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken 26voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben,

22

En het land voor het aangezicht des HEEREN ten onder gebracht zij: zo zult gij daarna wederkeren en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.

23

Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, zie, zo hebt gij aan den HEERE gezondigd; doch 27gij zult uw zonde gewaarworden, als zij u 28vinden zal.

24

Bouwt u steden voor uw kinderkens en kooien voor uw schapen, en doet wat 29uit uw mond uitgegaan is.

25

Toen 30spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen gelijk als mijn heer gebiedt.

26

Onze kinderkens, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;

27

Maar uw knechten zullen overtrekken, al 31wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN, tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.

28

cToen gebood Mozes hunnenthalve den priester Eleázar en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls;

29

En Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, en als het land voor uw aangezicht zal ten onder gebracht zijn, zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.

30

Maar indien zij niet 32toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden 33in het land Kanaän.

31

En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.

32

Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land Kanaän, en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan.

33

dAlzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad en den kinderen van Ruben en den halven stam van Manasse, Jozefs zoon, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Basan, het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.

34

En de kinderen van Gad 34bouwden Dibon en Atarôth en Aroër,

35

En Atroth-Sofan en Jáëzer en Jógbeha,

36

En Beth-Nimra en Beth-Háran, vaste steden en schaapskooien.

37

En de kinderen van Ruben bouwden Hesbon en Eleále, en Kirjatháïm,

38

En 35Nebo en Baäl-Meon, 36veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden die zij bouwden met andere namen.

39

eEn de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, 37gingen naar Gilead en namen 38dat in; en 39zij verdreven de Amorieten die daarin waren, uit de bezitting.

40

Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.

41

40Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam 41hunlieder dorpen in, en hij noemde die 42Havvot-Jaïr.

42

En Nobah ging heen en nam Kenath in met haar 43onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah, naar zijn naam.