HET BOEKRUTH

HOOFDSTUK 3.

Op den raad van Naomi, vs. 1, enz. Gaat Ruth naar den dorsvloer van Boaz, en legt zich neder aan zijn voeten, 6. Die, ontwakende, haar vriendelijk bejegent, en het recht van lossing bekent, 8. Maar alzo er een ander was, nader dan hij, wil hij eerst met dien spreken, 12. Zendt Ruth des morgens vroeg naar huis met een goede gift, 14.

Ruth en Boaz
1

EN Naómi, haar schoonmoeder, zeide tot haar: Mijn dochter, zou ik u geen 1rust zoeken, dat het u welga?

2

Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij 2geweest zijt, van onze 3bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht 4gerst op den dorsvloer wannen.

3

Zo baad u en 5zalf u en doe uw 6klederen 7aan en ga af naar den dorsvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.

4

En het zal geschieden als hij 8nederligt, dat gij de plaats zult merken waar hij zal nedergelegen zijn; 9ga dan in en 10sla zijn voetdeksel op en leg u; zo zal hij u te kennen geven wat gij doen zult.

5

En 11zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt, zal ik doen.

6

Alzo ging zij af naar den dorsvloer, en deed naar alles wat haar schoonmoeder haar geboden had.

7

Als nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart 12vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een korenhoop. Daarna kwam zij stillekens in en sloeg zijn voetdeksel op en legde zich.

8

En het geschiedde te middernacht, dat die man verschrikte en 13om zich greep; en zie, een vrouw lag aan zijn voetdeksel.

9

En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd; 14breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de 15losser.

10

En hij zeide: Gezegend zijt gij den HEERE, mijn dochter. Gij 16hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.

11

En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen; want de ganse 17stad mijns volks weet, dat gij een 18deugdelijke vrouw zijt.

12

Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.

13

Blijf dezen nacht over; voorts in den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als de HEERE leeft; leg u neder tot den morgen toe.

14

Alzo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe, en stond op eer dat 19de een den ander kennen kon; want hij zeide: 20Het worde niet bekend dat een vrouw op den dorsvloer gekomen is.

15

Voorts zeide hij: Lang den 21sluier die op u is, en houd dien; en zij hield hem. En hij mat zes maten gerst en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad.

16

Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, dewelke zeide: 22Wie zijt gij, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles wat die man haar gedaan had.

17

Ook zeide zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zeide tot mij: Kom niet ledig tot uw schoonmoeder.

18

Toen zeide zij: Zit stil, mijn dochter, totdat gij weet hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.