HET BOEK DERRICHTEREN,GENAAMDJUDICUM

HOOFDSTUK 7.

Gideon legert zich tegen de Midianieten met zijn krijgsvolk, vs. 1. Hetwelk hij op Gods bevel door uitroeping en een teken moet verminderen tot op driehonderd man, die hij alleen behoudt, 2. Verspiedt het leger der Midianieten, en door het vertellen en uitleggen van een wonderlijken droom gesterkt zijnde, verdeelt zijn volk in drie hopen, die allen tegelijk met de bazuinen blazen en de kruiken (waarin fakkels waren) in stukken slaan, 15. Waardoor de Midianieten verbaasd en vluchtende worden, ja, elkander zelfs vernielen, 21. De naastgelegen Israëlieten worden opontboden om den vluchtenden vijand te bejegenen en den pas over de Jordaan te beletten, 23. Twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, worden gevangen en gedood, 25.

De Midianieten verslagen
1

TOEN stond Jerubbaäl ( 1dewelke is Gídeon) vroeg op en al het volk dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein 2van Harod, dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel 3Moré, in het 4dal.

2

En de HEERE zeide tot Gídeon: Des volks is te veel dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn 5hand heeft mij verlost.

3

Nu dan, 6roep nu uit voor de oren des volks, zeggende: a7Wie blode en 8versaagd is, die kere weder en 9spoede zich 10naar het gebergte van Gilead. Toen keerden uit het volk weder twee en twintig duizend, dat er tienduizend overbleven.

4

En de HEERE zeide tot Gídeon: Nog is des volks te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal hen u aldaar 11beproeven; en het zal geschieden van welken Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene van welken Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.

5

En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de HEERE tot Gídeon: Al wie met zijn tong 12uit het water zal lekken gelijk als een hond zou lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken.

6

Toen was het getal dergenen die met hun hand tot hun mond gelekt hadden, driehonderd man; maar alle overigen des volks hadden op hun knieën gebukt om water te drinken.

7

En de HEERE zeide tot Gídeon: Door deze driehonderd mannen die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen en de Midianieten in uw hand geven; daarom, laat 13al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.

8

14En het volk namen den teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en 15hij liet al 16die mannen van Israël gaan, een iegelijk naar zijn tent, maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten 17beneden in het dal.

9

En het geschiedde in denzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het 18leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.

10

Vreest gij dan nog 19af te gaan, zo ga af, gij en Pura, uw jongen, naar het leger.

11

En gij zult horen wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw 20handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste der 21schildwachten die in het leger waren.

12

bEn de Midianieten en Amalekieten en al de kinderen van het oosten 22lagen in het dal, gelijk 23sprinkhanen in menigte; en hun kemels waren 24ontelbaar, gelijk het zand dat aan den 25oever der zee is, in menigte.

13

Toen nu Gídeon aankwam, zie, zo was er een man die zijn metgezel een droom vertelde, en zeide: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een 26geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianieten en het kwam tot aan de tent en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, 27het onderste boven, dat de tent er lag.

14

En zijn metgezel antwoordde en zeide: Dit is niet anders dan het zwaard van Gídeon, den zoon van Joas, den Israëlitischen man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.

15

En het geschiedde als Gídeon de vertelling van dezen droom en zijn 28uitlegging hoorde, zo 29aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger Israëls en zeide: Maakt u op, want de HEERE heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven.

16

En hij deelde de driehonderd man in drie 30hopen; en hij gaf 31een iegelijk een bazuin in zijn hand en ledige kruiken, en fakkels in het midden der kruiken.

17

En hij zeide tot hen: Ziet 32naar mij en doet 33alzo; en zie, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.

18

Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het ganse leger, en gij zult zeggen: 34Voor den HEERE en voor Gídeon.

19

Alzo kwam Gídeon en honderd mannen die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de 35middelste nachtwake, 36als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook 37sloegen zij de kruiken die in hun hand waren, in stukken.

20

Alzo bliezen de drie hopen met de bazuinen en braken de kruiken; en zij hielden met hun linkerhand de fakkels en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen, en zij riepen: Het zwaard van den HEERE en van Gídeon.

21

En zij stonden een iegelijk in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het ganse leger en zij schreeuwden en vloden.

22

Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, czo 38zette de HEERE het zwaard 39van den een tegen den ander, en dat in het ganse leger; en het leger vluchtte tot 40Beth-Sitta toe, naar Zerédath, tot aan de 41grens van Abel-Mehóla, boven Tabbath.

23

Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen uit Naftali en uit Aser en uit gans Manasse, en zij jaagden de Midianieten achterna.

24

Ook zond Gídeon boden in het ganse 42gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af den Midianieten tegemoet en beneemt hunlieden de wateren tot aan 43Beth-Bára, te weten de Jordaan. Alzo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-Bára 44en de Jordaan.

25

dEn zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op den rotssteen van 45Oreb, en Zeëb doodden zij 46in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gídeon 47over de Jordaan.