DE PROFEETEZECHIËL

HOOFDSTUK 13.

God beveelt den profeet te profeteren tegen de valse profeten en hun loze pleisteringen, vs. 1, enz. Insgelijks tegen de valse profetessen en haar armkussens en hoofddeksels, 17.

Valse profeten en profetessen
1

EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2

Mensenkind, profeteer tegen de 1profeten Israëls, 2die profeteren, en zeg tot degenen die 3uit hun hart profeteren: Hoort des HEEREN woord.

3

Zo zegt de Heere HEERE: Wee over die dwaze profeten, die 4hun geest nawandelen, en hetgeen zij 5niet gezien hebben!

4

Uw profeten, o Israël, zijn 6als vossen in de woeste plaatsen.

5

7Gij zijt 8in de bressen niet opgetreden, noch hebt 9den muur toegemuurd voor het huis Israëls, om in den strijd te staan 10ten dage des HEEREN.

6

11Zij zien 12ijdelheid en 13leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De HEERE heeft gesproken, daar de HEERE hen niet gezonden heeft; en zij geven hoop van het 14woord te zullen bevestigen.

7

15Ziet gij niet een 16ijdel gezicht, en spreekt 17een leugenachtige voorzegging, als gij 18zegt: De HEERE spreekt, daar 19Ik niet gesproken heb?

8

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gijlieden ijdelheid spreekt en leugen ziet, daarom, zie, 20Ik wil aan u, spreekt de Heere HEERE.

9

En 21Mijn hand zal zijn tegen de profeten die ijdelheid zien en leugen voorzeggen; zij zullen 22in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het 23schrift 24van het huis Israëls niet geschreven worden, en 25in het land Israëls niet komen; en gij zult weten dat Ik de Heere HEERE ben.

10

Daarom, ja, 26daarom dat zij Mijn volk 27verleiden, 28zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat29de één een 30lemen wand bouwt, en, zie, 31de anderen denzelven 32pleisteren met 33lozen kalk;

11

Zeg tot degenen die met lozen kalk pleisteren, dat 34hij omvallen zal; er zal een 35overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.

12

Zie, als die wand zal gevallen zijn, 36zal dan niet tot u 37gezegd worden: Waar is de pleistering waarmede gij gepleisterd hebt?

13

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal 38hem door een groten stormwind in Mijn grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn grimmigheid, 39om dien te verdoen.

14

Zo zal Ik den wand afbreken dien gijlieden met lozen kalk gepleisterd hebt, en zal hem 40ter aarde nederwerpen, dat 41zijn grond zal ontdekt worden; alzo zal 42de stad vallen, en 43gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

15

Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen die hem pleisteren met lozen kalk; en Ik zal tot 44ulieden zeggen: Die wand 45is er niet meer, en die hem pleisterden 46zijn er niet;

16

Te weten de profeten Israëls die van Jeruzalem profeteren en voor haar een gezicht 47des vredes zien, daar geen vrede is, spreekt de Heere HEERE.

17

En gij, mensenkind, 48zet uw aangezicht 49tegen de dochteren uws volks dewelke profeteren uit haar hart, en 50profeteer tegen haar,

18

En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Wee die vrouwen die 51kussens naaien voor 52alle oksels der armen, en maken 53hoofddeksels voor het hoofd 54van alle statuur, om de 55zielen te jagen. Zult gij de 56zielen Mijns volks jagen, en zult gij 57u de 58zielen 59in het leven behouden?

19

En zult gij Mij 60ontheiligen bij Mijn volk, avoor handvollen gerst en voor stukken brood, 61om zielen te doden die niet zouden sterven, en om zielen 62in het leven te behouden die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat 63de leugen hoort?

20

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, 64Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar 65de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen 66wegscheuren; en Ik zal die zielen 67losmaken, de zielen die gij jaagt naar de bloemhoven.

21

Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw 68hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn 69tot een jacht; en 70gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

22

Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt 71bedroefd gemaakt, daar Ik 72hem geen 73smart aangedaan heb; en omdat gij de 74handen des goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;

23

Daarom zult 75gij niet meer 76ijdelheid 77zien, noch 78waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.