DE PROFEETHOSÉA

HOOFDSTUK 6.

De boetvaardige Israëlieten worden ingevoerd elkander vermanende tot bekering, met vertrouwen van Gods genade, vs. 1, enz. Gods klacht over Israëls onbestendigheid in het goede en hardnekkigheid in het kwade, 4.

Boetvaardigheid en onbekeerlijkheid
1

KOMT 1 en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons 2genezen; Hij heeft 3geslagen en Hij zal ons 4verbinden.

2

Hij zal ons na twee dagen 5levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht 6leven.

3

Dan zullen wij 7kennen, wij zullen vervolgen om den HEERE te kennen; Zijn 8uitgang is 9bereid als de 10dageraad; en Hij zal 11tot ons komen als een 12regen, als de 13spade regen en vroege regen 14des lands.

4

15Wat zal Ik u doen, o Efraïm, wat zal Ik u doen, o Juda? Dewijl uw weldadigheid is als een 16morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat.

5

Daarom heb Ik hen 17behouwen door de profeten; Ik heb hen 18gedood door de redenen Mijns monds; en 19uw oordelen zullen 20voortkomen aan het licht.

6

21Want aIk heb lust tot weldadigheid en 22niet tot offer, en tot de kennis Gods meer dan tot brandoffers.

7

Maar zij bhebben het 23verbond overtreden als 24Adam; 25daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld.

8

26Gilead is een stad van werkers der ongerechtigheid; zij is 27betreden van bloed.

9

Gelijk de 28benden der straatschenders op iemand 29wachten, alzo is het gezelschap der 30priesters; zij moorden op den weg naar 31Sichem; waarlijk, zij doen 32schandelijke daden.

10

Ik zie een 33afschuwelijke zaak in het huis Israëls; aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd.

11

Ook heeft 34hij u, o Juda, een 35oogst gezet, als Ik de 36gevangenen Mijns volks 37wederbracht.