1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 14.

1 Paulus en Barnabas prediken en doen wonderen te Ikonium, en velen, zo heidenen als Joden, geloven. 4 Waarover grote onenigheid en oploop tegen hen ontstaat. 6 Die daarom vlieden naar Lystre en Derbe, enz. 8 Paulus geneest te Lystre een kreupele. 11 Waarom het volk hen houdt voor goden, en wil hun offerande doen. 14 Hetwelk zij, hoewel met groten ernst, nauwelijks verhinderen. 15 En wijzen hen tot den levenden, waren God. 19 Maar de Joden van Antiochië en Ikonium daar komende, verwekken het volk dat zij Paulus stenigen. 20 Doch hij staat op en reist met Barnabas naar Derbe. 22 Zij vermanen de broeders tot volstandigheid. 23 En verkiezen ouderlingen in alle gemeenten. 24 En enige andere landen en steden doorreisd hebbende, 26 Keren wederom tot Antiochië. 27 En verhalen wat God door hen gedaan had.

In Ikónium
1

EN het geschiedde te Ikónium dat 1zij 2tezamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte beide van Joden en 3Grieken geloofde.

2

Maar de Joden die 4ongehoorzaam waren, verwekten en 5verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.

3

Zij verkeerden dan aldaar 6een langen tijd, 7vrijmoediglijk sprekende in den Heere, aDie getuigenis gaf aan 8het woord Zijner genade, en gaf dat tekenen en wonderen geschiedden 9door hun handen.

4

En de menigte der stad werd verdeeld; en sommigen waren met de Joden, en sommigen met 10de apostelen.

5

En als er een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te stenigen,

6

Zijn zij, 11alles overlegd hebbende, bgevlucht 12naar de steden van 13Lycaónië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;

7

En verkondigden aldaar het Evangelie.

In Lystre. Vergood en gestenigd
8

En een zeker man te Lystre zat conmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.

9

Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende en 14ziende dat hij 15geloof had om 16gezond te worden,

10

Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten. dEn hij sprong op en wandelde.

11

En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen en zeiden in het Lycaónisch: eDe goden zijn 17den mensen gelijk geworden en tot ons nedergekomen.

12

En zij noemden Bárnabas 18Júpiter en Paulus Mercúrius, omdat hij het woord voerde.

13

En de priester van Júpiter 19die vóór hun stad was, als hij ossen en 20kransen aan de 21voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.

14

Maar de apostelen Bárnabas en Paulus dat horende, 22scheurden hun klederen en sprongen onder 23de schare, roepende,

15

En zeggende: Mannen, fwaarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden dat gij u zoudt van deze 24ijdele dingen bekeren tot den levenden God, gDie gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is;

16

hWelke in de verleden tijden al de heidenen heeft laten wandelen 25in hun wegen;

17

iHoewel Hij nochtans Zichzelven 26niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vrolijkheid.

18

En dit zeggende, 27wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden.

19

Maar daarover kwamen Joden van 28Antiochíë en Ikónium, en overreedden de scharen, en kstenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende dat hij dood was.

In Derbe. Terug naar Antiochíë
20

Doch als hem de discipelen 29omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Bárnabas uit naar Derbe.

21

En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd, en 30vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre en Ikónium en Antiochíë;

22

Versterkende 31de zielen der discipelen, len vermanende dat zij zouden blijven in het geloof, men dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

23

En als zij hun in elke gemeente, 32met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.

24

En 33Pisídië doorgereisd hebbende, kwamen zij in 34Pamfylië.

25

En als zij te 35Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar 36Attálië.

26

En vandaar scheepten zij af nnaar 37Antiochíë, vanwaar zij 38der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk dat zij volbracht hadden.

27

En daar gekomen zijnde en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat grote dingen God 39met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen 40de deur des geloofs geopend had.

28

En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen.