1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 22.

1 Paulus doet zijn verantwoording voor het volk. 3 En verhaalt dat hij een Jood was, opgevoed aan de voeten van Gamaliël. 4 En dat hij, voor de wet ijverende, de Christenen tot Damascus toe vervolgd heeft. 6 Daarna hoe hij wonderlijk uit den hemel van Christus beroepen en bekeerd is. 12 En van Ananias nader onderricht zijnde over zijn beroeping tot het apostelschap, van hem gedoopt is. 17 En hoe Christus, door een gezicht, in den tempel te Jeruzalem, hem wederom verschenen is, en hem tot de heidenen gezonden heeft. 22 Welke woorden de Joden horende, maakten een nieuw oproer, en riepen dat hij niet behoorde te leven. 24 Waarom de overste hem laat binden om gegeseld te worden. 25 Maar alzo hij zich op zijn burgerrecht van Rome beroept, wordt hetzelve nagelaten. 30 En hij voor den Joodsen Raad gesteld.

De verdedigingsrede voor de Joden
1

MANNEN 1broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.

2

(Als zij nu hoorden dat hij in de 2Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:)

3

aIk ben een Joods man, en te Tarsen in Cilícië geboren, opgevoed in deze stad 3aan de voeten van bGamáliël, onderwezen naar 4de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde 5een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;

4

cDie 6dezen weg vervolgd heb 7tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen;

5

Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele Raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot 8de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.

6

dMaar 9het geschiedde mij, als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, dat esnellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen.

7

En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

8

En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazaréner, Welken gij vervolgt.

9

En die met mij waren, zagen wel het licht, fen werden zeer bevreesd, maar de stem Desgenen Die tot mij sprak, 10hoorden zij niet.

10

En ik zeide: Heere, wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op en ga heen naar Damascus; en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen dat u geordineerd is te doen.

11

En als ik 11vanwege de heerlijkheid van hetzelve licht niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus.

12

gEn een zekere Ananías, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden die daar woonden,

13

12Kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, 13word weder ziende. En te zelver ure 14werd ik ziende op hem.

14

En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u 15tevoren verordineerd om Zijn wil te kennen, en 16den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.

15

Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.

16

En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en 17uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren.

17

hEn het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den tempel bad, dat ik in 18een vertrekking van zinnen was,

18

En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: iSpoed u en 19ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.

19

En ik zeide: Heere, zij weten kdat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen geselde die in U geloofden;

20

lEn toen het bloed van Stéfanus, Uw 20getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen die hem doodden.

21

En Hij zeide tot mij: Ga heen; mwant Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.

De woede der Joden
22

Zij hoorden hem nu 21tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: nWeg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij leeft.

23

En als zij riepen en de 22klederen van zich smeten en 23stof in de lucht wierpen,

24

Zo beval 24de overste dat men hem in 25de legerplaats zou brengen, en zeide dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzo over hem riepen.

25

En alzo zij hem 26met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd 27een Romeins mens, en dien 28onveroordeeld, te geselen?

26

Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein.

27

En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.

28

En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger 29geboren.

29

Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.

Voor den Groten Raad
30

En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de overpriesters en hun gehele Raad zouden komen; en Paulus 30afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.