DE TWEEDE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DIE VANKORINTHE

HOOFDSTUK 9.

1 De apostel betuigt dat hij genoegzaam verzekerd is van de genegenheid der Korinthiërs tot het bevorderen van deze collecte. 3 En geeft reden waarom hij de genoemde broeders tot hen vooruit heeft gezonden, namelijk opdat alles zou gereed zijn wanneer hij zal komen. 6 Vermaant hen om mildelijk en gewilliglijk te geven, met verscheidene redenen genomen van Gods milden zegen, liefde en genade over degenen die mildelijk zullen zaaien. 11 En van de dankzegging die daarover zal geschieden tot God van degenen die hun milddadigheid zullen deelachtig worden. 14 En van de gebeden die zij voor hen zullen doen tot God.

1

WANT a van 1de bediening die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig 2aan u te schrijven.

2

Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedóniërs, dat 3Acháje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.

3

Maar ik heb 4deze broeders gezonden, opdat onze roem dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij 5bereid moogt zijn;

4

En dat niet mogelijk, zo 6de Macedóniërs met mij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden 7in dezen vasten grond der roeming.

5

Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw 8tevoren aangedienden zegen, opdat die gereed zij, alzo 9als een zegen, en niet 10als een vrekheid.

De vruchten der milddadigheid
6

En dit zeg ik: bDie spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die 11in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen 12maaien.

7

Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart 13voorneemt; cniet uit droefheid of uit 14nooddwang; dwant God heeft een blijmoedigen gever lief.

8

En God is machtig 15alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles allen tijd 16alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn;

9

Gelijk er 17geschreven is: eHij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; 18zijn gerechtigheid 19blijft in der eeuwigheid.

10

Doch Die het zaad den zaaier verleent, 20Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel en vermeerdere de vruchten uwer 21gerechtigheid;

11

Dat gij in alles rijk wordt tot alle 22goeddadigheid, welke door ons 23werkt dankzegging tot God.

12

Want de bediening van dezen 24dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;

13

Dewijl zij door de 25beproeving dezer bediening God verheerlijken over de 26onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;

14

En door 27hun gebed voor u, welke 28naar u verlangen, 29om de uitnemende genade Gods over u.

15

30Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.