HET VIERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDNUMERI

HOOFDSTUK 14.

Murmurering van het volk tegen Mozes en Aäron, vs. 1, enz. Wat van Mozes, Aäron, Jozua en Kaleb gedaan is om die te stillen, 5. Wat daarop gevolgd is, ten aanzien zowel van het volk, dat in zijn boosheid volhardde, als van God, Die het dreigde uit te roeien, 10. Mozes bidt voor hetzelve, 13. Hij wordt verhoord, 20. Doch met conditie, dat de murmureerders in het land van Kanaän niet zouden komen, hun gebiedende terug te keren naar de woestijn, 21. Bredere uiting van de straf tegen de murmureerders, met aanwijzing van hun ouderdom, en uitneming dergenen die van deze straf vrij zouden zijn, 35. En de historie dergenen die niet wederkeren wilden, maar het land van Kanaän terstond innemen, 39.

Het opstandige volk gestraft
1

TOEN 1verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.

2

En al de kinderen Israëls murmureerden 2tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of: Och, of wij in deze woestijn gestorven waren!

3

En 3waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij 4door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kinderkens 5ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?

4

En zij zeiden 6de een tot den ander: Laat ons een hoofd 7opwerpen en wederkeren naar Egypte.

5

Toen 8vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israëls.

6

En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen die dat land verspied hadden, 9scheurden hun klederen.

7

En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land door hetwelk wij getrokken zijn om hetzelve te verspieden, is een 10uitermate goed land.

8

11Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven, een land hetwelk van melk en honing is vloeiende.

9

Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig, en avreest gij niet het volk dezes lands, want 12zij zijn ons brood; hun 13schaduw is van hen geweken, en 14de HEERE is met ons; vreest hen niet.

10

Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de 15heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst voor al de kinderen Israëls.

11

En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal Mij dat volk tergen? En hoe lang zullen zij 16aan Mij niet geloven door alle tekenen die Ik in het midden van hen gedaan heb?

12

Ik zal het met pestilentie slaan en Ik zal het 17verstoten, en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken dan dit is.

13

En Mozes zeide tot den HEERE: bZo zullen het 18de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;

14

En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, 19die gehoord hebben dat Gij, HEERE, in het midden van dit volk zijt; dat Gij, HEERE, 20oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat en cGij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags en in een vuurkolom des nachts.

15

En zoudt Gij dit volk 21als een enigen man doden, zo zouden de heidenen die 22Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:

16

dOmdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn.

17

Nu dan, laat toch de 23kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:

18

De eHEERE is 24lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, 25Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, 26fbezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het 27derde en in het vierde lid.

19

Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk als Gij ze aan dit volk van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt.

20

En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.

21

Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de 28heerlijkheid des HEEREN vervuld worden.

22

Want al de mannen die gezien hebben Mijn heerlijkheid en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu 29tienmaal verzocht hebben en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest;

23

30Zo zij het land hetwelk Ik hun vaderen gezworen heb, zien zullen! gJa, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien.

24

Doch h31Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is 32en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.

25

De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen 33in het dal; wendt u morgen en maakt uw reis naar de woestijn, op den weg naar de 34Schelfzee.

26

Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

27

35Hoe ilang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israëls, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.

28

Zeg tot hen: kZo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, 36indien Ik ulieden zo niet doe gelijk als gij in Mijn oren 37gesproken hebt!

29

Uw ldode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw 38getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaar oud en daarboven, gij die tegen Mij gemurmureerd hebt:

30

Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik 39Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen! mBehalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

31

En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden, die zal Ik daarin brengen en die zullen bekennen dat land hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.

32

Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen.

33

En uw kinderen zullen gaan 40weiden in deze woestijn, 41veertig jaar, en zullen 42uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.

34

Naar het getal der dagen in dewelke gij dat land verspied hebt, nveertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw 43ongerechtigheden dragen, 44veertig jaar, en zult gewaarworden 45Mijn afbreking.

35

Ik, de HEERE, heb gesproken 46: Zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe! Zij zullen in deze woestijn tenietworden en zullen daar sterven.

36

En die mannen die Mozes gezonden had om dat land te verspieden, en wedergekomen zijnde de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende,

37

Diezelve mannen die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, o47stierven door een 48plaag 49voor het aangezicht des HEEREN.

38

Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levend van de mannen die heengegaan waren om het land te verspieden.

39

En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israëls. Toen treurde het volk zeer.

40

En zij stonden des morgens vroeg op en klommen op 50de hoogte des bergs, zeggende: Zie, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats die de HEERE gezegd heeft; want 51wij hebben gezondigd.

41

Maar Mozes zeide: pWaarom overtreedt gij alzo 52het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.

42

Trekt niet op, want de HEERE zal in 53het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt voor het aangezicht uwer vijanden.

43

Want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.

44

Nochtans 54poogden zij vermetellijk om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.

45

Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten die in dat gebergte woonden, en sloegen hen en versmeten hen tot 55Horma toe.