HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 61.

David gevlucht en in groot gevaar zijnde, bidt om verlossing, naar zijn geloof en Gods voorgaande weldaden; vertrouwende dat God hem hier zijn leven zal verlengen en hierna het eeuwige schenken, om des Messias' wil, van Wiens onvergankelijk Koninkrijk hij profeteert, met belofte van dankbaarheid.

Gebed van een vluchteling
1

EEN psalm van David, voor den opperzangmeester, op 1Neginath.

2

O God, hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.

3

Van het 2einde des lands roep ik tot U, als mijn hart 3overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij 4te hoog zou zijn.

4

Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een 5sterke Toren 6voor den vijand.

5

Ik zal in Uw 7hut verkeren in eeuwigheden; ik zal 8mijn toevlucht nemen in het 9verborgene Uwer vleugelen. 10Sela.

6

Want Gij, o God, hebt gehoord naar mijn 11geloften; Gij hebt mij gegeven de 12erfenis dergenen die Uw Naam vrezen.

7

Gij 13zult dagen 14tot des 15konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van 16geslacht tot geslacht;

8

Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht 17zitten; 18bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.

9

Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid, 19opdat ik mijn 20geloften betale, 21dag bij dag.