HET TWEEDE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 14.

Na den dood van Abia werd zijn zoon Asa koning, vs. 1, enz. Die roeit de afgoderij uit en herstelt den zuiveren godsdienst, 2. Vrede hebbende, maakt hij zijn steden sterk en voorziet zich van krijgsvolk, 6. In krijgsnood tegen Zerah, den Moor, roept hij tot God, en slaat een geweldig leger, met vele steden, 9.

Asa koning van Juda
1

ZO ontsliep Abía met zijn vaderen en zij begroeven hem in de stad Davids; en azijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land 1tien jaren stil.

2

En Asa deed 2wat goed en wat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods.

3

Want bhij nam de altaren der 3vreemden en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af.

4

En hij 4zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken, en dat zij 5de wet en het gebod doen zouden.

5

Hij nam ook weg uit alle steden van Juda 6de hoogten en de 7zonnebeelden; en het koninkrijk was 8voor hem stil.

6

Daartoe bouwde hij 9vaste steden in Juda; want het land was stil en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de HEERE hem rust gaf.

7

Want hij zeide tot Juda: Laat ons 10deze steden bouwen en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendels, 11terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den HEERE onzen God gezocht, wij hebben Hem gezocht en Hij heeft ons rondom heen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.

8

Asa nu had een heir van driehonderdduizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den 12boog spannende; al dezen waren 13kloeke helden.

9

cEn Zerah, de 14Moor, kwam tegen hen uit met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot 15Marésa toe.

10

Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal 16Zefáta bij Marésa.

11

En Asa riep tot den HEERE zijn God, en zeide: HEERE, 17het is niets bij U te helpen 18dhetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE onze God; want wij steunen op U, en 19in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte. O HEERE, Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens 20tegen U niets 21vermogen.

12

En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

13

Asa nu en het volk dat met hem was, jaagden hen na tot 22Gerar toe; en zovelen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen 23hervatting was; want zij waren verbroken voor den HEERE en voor Zijn leger; en 24zij droegen zeer veel roof daarvan.

14

En zij sloegen alle steden rondom Gerar, want 25de verschrikking des HEEREN was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roof in dezelve was.

15

En zij sloegen ook de 26tenten van het vee en voerden weg schapen in menigte en kemels, en kwamen weder te Jeruzalem.