DE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DEROMEINEN

HOOFDSTUK 14.

1 De apostel leert nu voorts, hoe de gelovigen zich gedragen moeten jegens de zwakken, die de leer van de vrijheid der Christenen, voornamelijk aangaande het onderscheid van spijze en dagen, nog niet wel verstonden, namelijk dat zij de zwakken moeten aannemen en met hen daarom niet twisten, en dat de zwakken de anderen niet moeten veroordelen. 5 Dat beide zwakken en sterken enerlei einde moeten voorhebben, om God daarmede te dienen. 7 Alzo wij in leven en sterven altijd schuldig zijn Zijn eer te bevorderen. 9 Gelijk ook Christus daarom gestorven en opgestaan is, opdat wij Hem, als onzen Heere en Rechter, zouden rekenschap geven van al ons doen. 13 Dat dan de sterken toezien dat zij geen aanstoot geven den zwakken. 14 Dat nu het onderscheid der spijzen en dagen wel ophoudt, maar dat deze vrijheid niet moet gebruikt worden tot droefheid en verzwakking van anderen, voor welke Christus ook gestorven is. 17 Nademaal de christelijke religie niet bestaat in eten of drinken. 19 Dat men in dezen altijd moet trachten naar vrede. 20 En liever niet eten of drinken hetgeen den zwakke zou ergeren. 22 En voorts in dezen aan beide zijden niets doen met een twijfelende consciëntie, alzo zulks zonde is.

Elkander niet veroordelen
1

NEEMT dengene nu 1die zwak is in het geloof, 2aan, maar niet 3tot twistige 4samensprekingen.

2

5De een gelooft wel dat men 6alles eten mag, maar 7die zwak is, 8eet moeskruiden.

3

a9Die daar eet, 10verachte hem niet 11die niet eet; en die niet eet, 12oordele hem niet die daar eet; want God heeft 13hem aangenomen.

4

b14Wie zijt gij die 15eens anderen huisknecht 16oordeelt? 17Hij staat of hij 18valt 19zijn eigen heer; doch hij zal 20vastgesteld worden, want God is 21machtig hem vast te stellen.

5

c22De een 23acht wel den enen dag boven den anderen dag, maar 24de ander 25acht al de dagen gelijk. 26Een iegelijk zij 27in zijn eigen gemoed 28ten volle verzekerd.

6

Die 29den dag waarneemt, die neemt hem waar 30den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. 31Die daar eet, die eet zulks den Heere, dwant 32hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en 33hij dankt God.

7

eWant niemand 34van ons 35leeft zichzelven en niemand 36sterft zichzelven.

8

Want hetzij dat wij leven, 37wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, 38wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, 39wij zijn des Heeren.

9

40Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat Hij beide over 41doden en levenden heersen zou.

10

Maar 42gij, wat 43oordeelt gij 44uw broeder? Of ook 45gij, wat 46veracht gij 47uw broeder? fWant wij zullen allen 48voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.

11

Want er is geschreven: g49Ik leef, 50zegt de Heere; 51voor Mij zal alle 52knie buigen, en 53alle tong zal God 54belijden.

12

hZo dan, 55een iegelijk van ons zal 56voor zichzelven 57Gode 58rekenschap geven.

Elkander geen aanstoot geven
13

Laat ons dan elkander niet meer 59oordelen; maar 60oordeelt dit liever, namelijk idat 61gij 62den broeder geen 63aanstoot of ergernis 64geeft.

14

k65Ik weet en ben verzekerd 66in den Heere Jezus, dat 67geen ding 68onrein is 69in zichzelf; dan 70die acht iets onrein te zijn, 71dien is het onrein.

15

Maar indien 72uw broeder 73om der spijze wil 74bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer 75naar liefde. l76Verderf dien niet 77met uw spijze, 78voor welken Christus gestorven is.

16

Dat dan 79uw goed niet 80gelasterd worde.

17

mWant 81het Koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar 82rechtvaardigheid en 83vrede en 84blijdschap 85door den Heiligen Geest.

18

Want die Christus 86in deze dingen 87dient, is Gode welbehaaglijk en 88aangenaam 89den mensen.

19

Zo dan, laat ons 90najagen 91hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de 92stichting 93onder elkander dient.

20

94Verbreek 95het werk Gods niet 96om der spijze wil. n97Alle dingen zijn wel rein, maar het is 98kwaad voor den mens die 99met aanstoot eet.

21

o100Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets waaraan 1uw broeder zich 2stoot of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is.

22

3Hebt gij geloof? 4Heb dat bij uzelven 5voor God. Zalig is hij die zichzelven niet 6oordeelt 7in hetgeen dat hij voor goed houdt.

23

Maar 8die twijfelt, 9indien hij eet, 10is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. pEn al wat 11uit het geloof niet is, dat is zonde.