HET HOOGLIEDVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 4.

De Bruidegom prijst de bruid vanwege haar schoonheid, vs. 1, enz. Geeft te kennen dat Hij een tijdlang ván haar wezen zal, 6. Hij roept haar, dat zij tot Hem afkome, 8. Betuigende Zijn liefde tot haar, 9. En haar nog verder prijzende, 10. De bruid bidt haar Bruidegom dat Hij snellijk tot haar wil komen en door Zijn Heiligen Geest krachtiglijk in haar werken, opdat zij vruchten drage die Hem mogen aangenaam wezen, 15.

De schoonheid der bruid
1

ZIE, 1gij zijt schoon, Mijn vriendin, zie, 2gij zijt schoon; uw ogen zijn 3duivenogen a4tussen uw vlechten; buw haar 5is als een kudde geiten die het gras van den 6berg Gileads 7afscheren.

2

8Uw tanden zijn als een kudde schapen die 9geschoren zijn, 10die uit de wasstede opkomen; die altezamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is 11jongeloos.

3

12Uw lippen zijn 13als een scharlaken snoer, en uw spraak cis lieflijk; de slaap uws hoofds is als 14een stuk van een granaatappel 15tussen uw vlechten.

4

d16Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is 17tot ophanging van wapentuig, waar 18duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden 19der helden.

5

eUw 20twee borsten 21zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, 22die onder de leliën weiden.

6

23Totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg en tot den wierookheuvel.

7

24Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen 25gebrek aan u.

8

26Bij Mij van den Libanon af, 27o bruid, kom bij Mij van den 28Libanon af; zie van den 29top van 30Amána, van den top van 31Senir en van 32Hermon, van de woningen 33der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.34

9

Gij hebt 35Mij het hart 36genomen, 37Mijn zuster, o bruid; 38gij hebt Mij het hart genomen 39met één van uw ogen, met één 40keten 41van uw hals.

10

42Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! Hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan 43wijn, en de reuk 44uwer oliën dan alle 45specerijen!

11

46Uw lippen, o bruid, 47druppen van honingzeem; 48honing en melk is onder uw tong, en 49de reuk uwer klederen is als 50de reuk van Libanon.

12

Mijn zuster, o bruid, gij zijt een 51besloten hof, 52een besloten wel, 53een verzegelde fontein.

13

54Uw scheuten zijn 55een paradijs van granaatappelen, met 56edele vruchten, 57cyprus met nardus,

14

Nardus en saffraan, 58kalmoes en kaneel, met allerlei 59bomen van wierook, mirre en 60aloë, mitsgaders 61alle voornaamste specerijen.62

15

63O Fontein der hoven, Put 64der levende wateren, 65die uit Libanon vloeien!

16

66Ontwaak, Noordenwind, en kom, Gij Zuidenwind, 67doorwaai 68mijn hof, 69dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en 70ate zijn 71edele vruchten!