1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 28.

1 Paulus en die met hem voeren, komen behouden aan het eiland Melite, alwaar zij beleefdelijk onthaald worden. 3 Een adder uit het vuur komende, blijft hangen aan de hand van Paulus, die hij zonder letsel afschudt. 6 Waarover de eilanders verwonderd zijnde, hem houden voor een god. 7 Paulus geneest den vader van Publius van de koorts en den rodeloop. 9 En vele eilanders van hun ziekten. 10 Drie maanden daar wel onthaald geweest zijnde, varen zij naar Italië, over Syracuse, tot Regium, vandaar tot Puteoli, en voorts reizende over Appiusmarkt en de Drie Tabernen, komen zij te Rome. 16 Alwaar Paulus den overste des legers overgeleverd zijnde, van een soldaat bewaard wordt. 17 Hij roept tot zich de voornaamste Joden aldaar, en verhaalt hun waarom hij alzo gevangen naar Rome gezonden was. 21 Die daarvan geen tijding ontvangen hadden, en begeerden zijn gevoelen van de religie te verstaan. 23 Hetwelk Paulus in een grote vergadering van Joden van des morgens tot des avonds toe verklaart, bewijzende uit Mozes en de Profeten dat Jezus de Christus was. 24 Hetwelk sommigen geloofden, en anderen niet. 25 Die Paulus uit Gods Woord ernstiglijk bestraft, en hun voorzegt dat zij zouden verstoten en de heidenen in hun plaats beroepen worden. 30 Paulus blijft aldaar twee jaren, vrijmoediglijk en onverhinderd het Evangelie predikende.

Op Melíte
1

EN als zij ontkomen waren, toen verstonden zij dat ahet eiland 1Melíte heette.

2

En 2de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want 3een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in om den regen die overkwam en om de koude.

3

En als Paulus een hoop 4rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er 5een adder uit door de hitte en vatte zijn hand.

4

En als de barbaren het 6beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mens is gewisselijk een doodslager, welken 7de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is.

5

Maar hij schudde het beest af in het vuur ben leed niets kwaads.

6

En zij verwachtten dat hij zou 8opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden, en zagen dat 9geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd cen zeiden dat hij 10een god was.

7

En hier omtrent dezelve plaats had 11de voornaamste van het eiland, met name 12Publius, zijn landhoeven, die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde.

8

En het geschiedde dat de vader van Publius, met dkoortsen en den rodeloop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.

9

Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen;

10

Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen 13van node was.

Verder naar Rome
11

En 14na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandríë, dat in het eiland overwinterd had, hebbende 15tot een teken 16Castor en Pollux.

12

En als wij te 17Syracúse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;

13

Vanwaar wij 18omvoeren, en kwamen aan te 19Regium; en alzo na één dag de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te 20Putéoli;

14

Alwaar wij 21broeders vonden, en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven; en alzo gingen wij naar 22Rome.

15

En 23vandaar kwamen 24de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot 25Appiusmarkt en de 26Drie Tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en 27greep moed.

Twee jaar te Rome
16

En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den 28overste des legers; emaar Paulus werd toegelaten 29op zichzelven te wonen 30met den krijgsknecht die hem bewaarde.

17

En het geschiedde 31na drie dagen, dat Paulus 32samenriep degenen die de voornaamsten der Joden waren; en als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, fik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;

18

Dewelke mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.

19

Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet alsof ik 33iets had mijn volk te beschuldigen.

20

Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; gwant vanwege 34de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.

21

Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen; noch iemand van de broederen hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads 35geboodschapt of gesproken.

22

Maar wij begeren wel van u te horen wat gij gevoelt; want wat 36deze sekte aangaat, ons is bekend dat zij 37overal tegengesproken wordt.

23

En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn 38woonplaats; denwelken hij 39het Koninkrijk Gods uitlegde, en 40betuigde, en poogde hen te bewegen 41tot het geloof van Jezus, hbeide uit de Wet van Mozes en de Profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.

24

iEn sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.

25

En tegen elkander oneens zijnde, 42scheidden zij, als Paulus 43dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft 44de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,

26

Zeggende: kGa heen tot dit volk, en zeg: Met 45het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken;

27

Want het hart dezes volks is 46dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.

28

Het zij u dan bekend dat 47de zaligheid Gods den 48heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.

29

En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel 49twisting hebbende onder elkander.

30

En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen die tot hem kwamen;

31

Predikende het Koninkrijk Gods, en 50lerende van den Heere Jezus Christus 51met alle vrijmoedigheid, 52onverhinderd.

Einde van de Handelingen der heilige apostelen.